Vincent was evenmin zachtzinnig voor zijn
tegenstander. Helaas ben ik niet in het bezit van de notatie van deze partij
zodat ik de lezers deze partij moet onthouden. Ik kan u echter verzekeren dat
de ene krachtzet de andere opvolgde. Vincents tegenstander dwong veel respect
af door niet gillend het pand te verlaten. Beheerst nam hij na afloop de
partij met Vincent door. Bij deze analyse was ook de Groebeekse crack Theo
Wijnhoven actief. Toen echter bleek dat Vincent ook in staat was om al zijn
suggesties te weerleggen werd het erg stil. Nog nasuizend van wat hij zojuist
had meegemaakt wist hij alleen nog maar uit te brengen: ‘leuk spelertje’.
Volgens mij komt deze uitspraak in aanmerking voor de eerste prijs in de
competitie voor ‘understatement
van het jaar’.
Zelf won ik door in een technische stelling een
krachtzet op het bord te brengen.
 |
29.d4 exd4? Zwart hield uitsluitend rekening met het antwoord 30 Pxd4
30.Nf4+! Kf7 30
Ke7 31 Pg6
31.e5
1–0
|
Peter Roessel bereikte niet zijn normale niveau en
verloor zonder ooit uitzicht gehad te hebben op winst. Ook Henny had geen
plezierige dag. Vanuit de opening kwam hij zwaar onder druk te staan, waarna
een onnauwkeurigheid hem onmiddellijk fataal werd. Sander van Vucht kwam in
zijn partij op geen enkel moment in gevaar, maar had evenmin zicht op
voordeel. Uiteindelijk was zijn remise dan ook een logische uitkomst van de
partij, waarbij tevens de stand in de wedstrijd een rol speelde. Omdat Marius
duidelijk gewonnen stond was de overwinning binnen handbereik en zou het
waanzin zijn geweest op een riskant winstpoging in te zetten.
| |
Doetinchem |
- |
De Toren |
4 - 4 |
| 1 |
V. Rothuis |
- |
B.T.van Onzen |
0 -
1 |
| 2 |
C.A.J. Nederkoorn |
- |
B. Beeke |
1 -
0 |
| 3 |
M.van Hal |
- |
J.van Onzen |
0 - 1 |
| 4 |
T.P. Goossen |
- |
M.B.M. Tennissen |
1 -
0 |
| 5 |
M. Küper |
- |
T.H.N.van Nispenrode |
½ -
½ |
| 6 |
P.P. Roessel |
- |
J.H.T. Hoedemaeckers |
0 -
1 |
| 7 |
H. Haggeman |
- |
V. Vleeming |
1 -
0 |
| 8 |
S.van Vucht |
- |
A.W. Karssenberg |
½ - ½ |
Eindspel
Elke ervaren clubspeler heeft het wel eens meegemaakt.
Je staat met 4-2 achter en er lopen nog 2 partijen waarin de clubgenoten beter
staan. Tussen hoop en vrees kijk je naar die partijen. Elke zet opnieuw weeg
je de kansen af. Maar hoe weinig komt het voor dat die partijen ook inderdaad
vervolgens in winst worden omgezet. De nivellerende kracht van het spel is
vaak te groot om de kleine voordeeltjes tot iets substantieels te laten
uitgroeien. Vanaf de wedstrijd tegen De Toren kan ik zeggen dat ik zoiets met
eigen ogen heb mogen aanschouwen. Het lukt Theo en Kees om deze krachttoer uit
te halen waardoor we alsnog een wedstrijdpunt uit het vuur wisten te slepen.
Kees was de eerste die zijn tegenstander op de knieën dwong.
 |
Op het eerste gezicht is moeilijk te zien hoe wit verder moet komen. Maar
Kees laat zien dat een vrijpion veel sneller en gevaarlijker indien hij door
de koning wordt ondersteund. Bovendien laat hij zich niet verleiden tot het
aanvallen van pion a5. Dat had uitsluitend tijdverlies opgeleverd.
51.Kb6 Td4 52.Kb5 g4 53.c5 Kf6 54.Te1 Td5 55.Kb6 Te5 56.Tc1 g3 57.c6 g2
58.c7 Te8 59.Kb7 Te7 60.Kb8
1-0
|
 |
Een diagram voor de slotstelling. Kijk eens naar het verschil in
effectiviteit van de beide koningen.
|
Ook
Theo zat in een situatie waarin het een kwestie werd van wrikken en trekken om
door de vesting van zijn tegenstander heen te breken. Helaas schaakt onze
Grote Grijze Goeroe beter dan hij noteert. Uit het formulier kon ik de partij
niet meer reconstrueren. Op de website van de Toren valt nog overigens op te
maken dat in deze partij 3x dezelfde stelling zou zijn voorgekomen. Iets dat
Theo overigens stellig ontkent. Hoe dan ook, door zijn huzarenstukje werd het
wedstrijdpunt gered.
Daar
was nog een andere ontsnapping aan voorafgegaan. Na een fout in een scherpe
opening kwam ik twee pionnen achter. Omdat mijn tegenstander vervolgens te
slap speelde kreeg ik alsnog tegenkansen. Het lukte mij geleidelijk aan door
actief tegenspel de kansen weer ongeveer gelijk te maken. Net op het moment
dat ik daarin geslaagd was maakte ik een enorme blunder waardoor mijn
tegenstander op slag kon winnen. Gelukkig zag hij het niet en na zijn antwoord
kwamen we in een theoretische remisestelling.
Marius
heeft de reputatie van een zeer solide speler. Slechts zelden ontsnapt hem een
grafzet. In deze wedstrijd kwam echter de spreekwoordelijke uitzondering die
de regel bevestigt.
 |
In deze
totaal gewonnen stelling besloot Marius de druk nog wat meer op te voeren met 24...Td2??
Na het prozaïsche 25.Pxh4
konden de stukken in het doosje.
|
Peter werd in een slechter staand eindspel
langzamerhand leeggezogen. Henny daarentegen heeft blijkbaar besloten dat hij
dit seizoen naam gaat maken als ‘Henny de Hakker’. De verleiding is groot
om deze partij hier te presenteren, maar verderop in dit nummer vindt kunt u
genieten van de analyse van de meester zelf.
Sander van Vucht speelde remise,
maar deed dat in een spetterend partijtje.
In de volgende geladen stelling besloot Sander de
spanning op te voeren.
 |
18.b4 exf4! Een onverwacht schijnoffer waarmee zwart het initiatief verovert.
Gelukkig bleef Sander zich na deze donderslag koel verdedigen. 19.bxc5 Pxe2+ 20.Dxe2 Lxc3 21.Tb1 Ld4+ 22.Kh1 Lxc5 23.Txb7 Le3 24.Lxe3
fxe3 25.Dxe3 Tc7 26.Da7 Txb7 27.Dxb7 Da5 28.Db2
½–½
|
Vincent zal zijn partij niet licht vergeten. In een
damepionspel kreeg zijn tegenstander een drukstelling. Vincent slaagde er niet
in om zich aan deze druk te ontworstelen en uiteindelijk was het voor zijn
tegenstander niet moeilijk om de partij te winnen. Het is te hopen dat Vincent
deze partij nog eens goed met zijn trainers doorneemt. Het analyseren van
zo’n rotpartij is vaak pijnlijk maar wel verschrikkelijk leerzaam. Het was
extra zuur dat hiermee ook zijn 100% score tot een einde kwam.
| |
Zutphen |
1827
|
- |
Doetinchem |
1901 |
3½ - 4½ |
| 1 |
J.J.M. Bosch van Rosenthal |
2026 |
- |
V. Rothuis |
1975 |
0-1 |
| 2 |
D. Alink |
1876 |
- |
M. Küper |
2016 |
1-0 |
| 3 |
K. Hagendijk |
2001 |
- |
T.P. Goossen |
2042 |
0-1 |
| 4 |
N. Zafari |
1757 |
- |
M.van Hal |
1994 |
0-1 |
| 5 |
J.A. Blaak |
1735 |
- |
P.P. Roessel |
1843 |
½-½ |
| 6 |
F. Posthuma |
1691 |
- |
H. Haggeman |
1799 |
1-0 |
| 7 |
E. Kloppers |
1819 |
- |
H. Steinhauer |
1733 |
½-½ |
| 8 |
G.J. Ruegebrink |
1712 |
- |
S.van Vucht |
1809 |
½-½ |
De
jeugd heeft het heden
De witspelers aan bord 1 en 2 in deze wedstrijd
kunnen gerekend worden tot de talentvolle jongeren. Ook de tegenstanders die
ze troffen behoren tot een gelijk leeftijdscategorie, zij het dat er tussen
die wit en zwartspelers wel een volle generatie ligt. Dat die extra ervaring
niet opweegt tegen talent mag blijken uit de volgende partijfragmenten:
 |
In deze stelling bracht Vincent met de witte stukken de volgende
combinatie op het bord: 23.Lc4 Dxc4 24.Dg5+ Kf7 25.Txh7+ 1–0
|
Zelf werd ik ook totaal aangepakt.
 |
In deze stelling meende ik werkelijk dat het met de witte aanval nogal meeviel
en liet mij verleiden tot 10...La6 Waarna de witspeler het snel afmaakte met
11.Pxf7! Txf7 12.Lxf7+ Kxf7 13.Pg5+ Kg8 14.Db3+ 1-0
|
De stand was dus al snel 1-1. Daarna ontspon zich een thriller. Door het
matige presteren van de oostelijke clubs in de 3e klasse KNSB is er
dit jaar in de promotieklasse waarschijnlijk een versterkte degradatie. In die
wetenschap was beide clubs er veel aan gelegen om te winnen. Aan alle borden
werd dan ook hard gevochten. Marius bracht een aardige combinatie op het bord
waardoor we op voorsprong kwamen.
 |
In deze stelling liet de tegenstander van Marius zich verleiden tot:
22.Lxg7 waarna
marius winnend voordeel kreeg met de tussenzet 22. …, Pf4!
23. De3 Pxe2+ 24.Txe2 Kxg7 Hoewel
de witspeler nog wat tegenstribbelde was er nooit twijfel aan de zwarte
overwinning.
|
Theo liet weer eens zien dat hij in staat is om in
elke stelling winstkansen te vinden.
 |
Hier bracht Theo wat extra
spanning in de stelling door pion c3 te offeren
27.Pe1 Lxc3 28.Pd3 Lf6 29.Pxf4 Lxh4 30.Pxg6 Tg7 31.f4
|
 |
In deze stelling heeft zwart het al niet meer makkelijk, maar na de
volgende zet is het totaal uit. 31...Kd7 32.Td1+ Ke8 33.Pxh4 Tg4 34.Pf5 Txf4 35.Ke3
Tg4 36.Th1 Tg5 37.Txh5 Tg1 38.Th8+ 1–0
|
Helaas werd de overwinning van Theo weer ongedaan gemaakt door een
blunder van Henny. Opnieuw liet onze hakker zien dat hij een ware
transformatie heeft ondergaan. Met ondernemend en gedurfd spel kreeg hij
voldoende initiatief om voor zijn materiele investering. Zijn tegenstander
verdedigde zich echter goed en toen er uiteindelijk een moeilijke maar
ongeveer gelijkwaardige stelling op het bord kwam liet onze held zijn toren
ongedekt staan waardoor hij helaas verloor.
Het lot van deze wedstrijd lag daarmee in handen van Henk, Sander en
Peter. Ze hadden allemaal een ingewikkeld eindspel op het bord. Zittend achter
de witte stukken besloot Henk, met het oog op de stand in de wedstrijd, als
eerste om alle risico’s uit de weg te gaan.
 |
41.T5xd4 cxd4 42.Txd4 Kf5 43.Tf4+ Kg5 44.Tb4 het
toreneindspel valt niet meer te winnen ½–½
|
Ook
Sander begroef zijn persoonlijk ambities in het teambelang door in een betere
stelling (hij zat achter de zwarte stukken) remise aan te nemen (zie diagram).
Daarmee stelde hij alvast 1 wedstrijd punt veilig.
Het kwam toen aan op Peter Roessel. Vanuit een stelling waarin menigeen
de moed allang zou hebben opgegeven wist hij de remise haven te bereiken. Na
de 53e zet van zwart werd de kritieke stelling bereikt in deze
partij.
Peter gaf bij deze stelling het volgende commentaar toen hij de partij
opstuurde: ‘Zwart moet proberen om met de toren de loper op d3 te slaan als
de zwarte koning op c3 of d2 staat. Verder heeft hij het plan om de pion op c2
te slaan als zijn koning de loper kan pakken na terugslaan. Wit wil de pion op
d4 slaan als zwart zich tegoed doet aan pion c2. Als zwart besluit om af te
wikkelen met Txd3 dan moet wit de koning op d5 of c5 hebben staan. Dat geeft
de witte koning de gelegenheid om pion a7 op te halen en vervolgens met de
a-pion naar a7 op te rukken. Hoewel zwart dan een dame haalt blijft het
remise. Ook tijdens het analyseren met Fritz wist ik de stelling steeds
remise te houden’.
 |
54.Le4
Te6 55.Ld3 Te3 56.Le4 Kc5 57.Ld3 Kb4 58.Le4 Kc3 59.Ke5 Kc4 60.Kf4 Kc3 61.Ke5
Te1 62.Kd5 Ta1 63.Ke5 Ta2 64.Ld3 Tb2 65.Ke4 Tb6 66.Kd5 Tf6 67.Ke5 Tf3 68.Le4
Tf2 69.Kd5 Tf8 70.Ke5 Td8 71.Ld3 Tc8 72.Ke4 Tc5 73.Kf4
½–½
|
Hiermee loodste Peter ons definitief buiten de gevarenzone.
| |
Doetinchem
|
1927
|
- |
Het
Kasteel
|
1813
|
5½-2½
|
| 1 |
V. Rothuis |
1975 |
- |
W.J.H.van Berkel |
1950 |
1-0 |
| 2 |
C.A.J. Nederkoorn |
2047 |
- |
C. Hermeling |
1854 |
½-½ |
| 3 |
M. Küper |
2016 |
- |
H.T.F.W.van Kortenhof |
1901 |
0-1 |
| 4 |
T.P. Goossen |
2042 |
- |
D.A.J. Derks |
1840 |
1-0 |
| 5 |
M.van Hal |
1994 |
- |
W.H.van Nie |
1845 |
½-½ |
| 6 |
H. Steinhauer |
1733 |
- |
R.E.J. Duin |
1806 |
½-½ |
| 7 |
H. Haggeman |
1799 |
- |
T. Rutjes |
1710 |
1-0 |
| 8 |
S.van Vucht |
1809 |
- |
J.A.H. Steinman |
1598 |
1-0 |
Consolidatie
Na
de vorige ronde waren we de beste van de middenmoot. Een positie die in de
wedstrijd tegen Kasteel werd bevestigd. Over het algemeen werd er erg solide
gespeeld. Een duidelijke uitzondering hierop was ik zelf. Experimenterend met
een nieuwe opening sloeg ik een remiseaanbod af in mindere stelling. De
‘winstpoging’ die ik daarna lanceerde bracht inderdaad een onmiddellijke
beslissing en daarmee mijn 2e opeenvolgende nederlaag.
Vincent gaf aan het eerste bod wel het goede voorbeeld.
In een strakke partij won hij met krachtig spel vanuit de volgende positie:
Berkel,
W van - Rothuis [A38]
Promotieklasse
Doetinchem, 26.03.2003
 |
1.Pf3 Pf6 2.c4 g6 3.g3 Lg7 4.Lg2 c5 5.0–0 Pc6 6.Pc3 0–0 7.a3 d5
8.cxd5 Pxd5 9.Dc2 b6 10.Pxd5 Dxd5 11.d4 Lb7 12.dxc5 Diagram
|
 |
12...Pd4! 13.Dd2 Tad8 14.Pe1? een
slechte zet in een moeilijke stelling.
14...Dc4! 15.Lxb7 Pxe2+ 16.Kg2 Txd2 17.Lxd2 Lxb2 18.Tb1 Da2 19.Pf3 bxc5
20.Lh6 Tb8 21.Tbd1 Pd4 22.Pxd4 cxd4 23.Lf3 e5 24.Tfe1 f6 25.Te2 Dxa3 26.Ld5+
Kh8 27.Tc2 Lc3 28.Ta2 Dc5 29.Lf3 a5 0–1
|
Kees trok alle registers open om door de franse muur
van zijn tegenstander heen te breken. Zijn tegenstander was blijkbaar geïnspireerd
door Chirac en weigerde toe te geven. Uiteindelijk werd zijn hardnekkigheid
beloond met een remise.
Theo won eerst het centrum, toen de koningsvleugel en vervolgens de
partij. Het slot van deze partij is het naspelen waard.
 |
23.Lxg7 Pxf4 24.Df2 en de dreiging 25. Df7 mat verhinderd 24. …, Pxd3 1–0
|
 |
24...Lxa3! 25.bxa3 Dc3 0–1
|
Sander won zijn eerste partij voor Doetinchem in de
promotieklasse. Eigenlijk won hij zelfs twee keer. De eerste overwinning was
in de opening toen zijn zijn tegenstander als volgt ondersteboven combineerde:
 |
14.Pd6+! Lxd6 15.Lxg7 Dc7 16.Lxh8 f6 17.Pd4 0–0–0 18.Pxe6 Lxe6
19.Dxe6+ Kb8 20.Lxf6 Pxf6 21.Dxf6 Tf8 22.Dh4 Dxc2 23.Tf1 Lc5 In
deze stelling werd Sander door alle goede geesten verlaten en verspeelde hij
bijna de winst.
|
 |
24.Tac1?? Lxf2+ 25.Dxf2 Txf2 26.Txc2 Txc2 27.Tb1 Kc7 28.h3 Kd6 29.Kh2 h5
30.Kg3 Ke5 31.Kh4 Txg2 32.Kxh5 Kf4 33.h4 b5 34.Tf1+ Ke5 35.Te1+ Kf5 36.Tf1+
Ke5 37.Tb1 a5 38.Te1+ Kf5 39.Tb1 Ke5 40.Kh6 Kf6 41.h5 met
stug doorgaan heeft wit nog wat kleine kansen gecreëerd. Echt gevaarlijk
wordt het echter niet zolang zwart blijft plakken aan de witte b-pion. Het
plan dat hij kiest geeft Sander echter de kans om opnieuw voor de winst te
gaan.
|
 |
41...Tg8? 42.Tf1+ Ke6 43.Tf2 Tg3 44.Kh7 Tg5 45. h6 Ke7 46.Te2+ Kf7? 47.Tc2
a4 48.Tc7+ Kf8 49.Tg7 Td5 50.Tb7 Tg5 51.Tg7 Td5 52.Tg2 Kf7 53.Tf2+ Ke8 54.Kg6
Td1 55.Tf5 Tg1+ 56.Tg5 Txg5+ 57.Kxg5 Kf7 58.a3 Kg8 59.Kf5
1–0
|
|
stand na de 7e ronde
|
| Promotieklasse
|
Mp
|
Bp
|
| 1. |
ASV 2 |
14 |
38 |
| 2. |
Meppel |
10 |
36½ |
| 3. |
Lelystad |
10 |
31 |
| 4. |
Doetinchem |
9 |
33 |
| 5. |
De Toren |
7 |
29 |
| 6. |
Het Kasteel |
7 |
27½ |
| 7. |
ASV 3
|
6
|
25
|
| 8. |
PION 2
|
5
|
23
|
| 9. |
SMB 4 |
2 |
17 |
| 10. |
Zutphen |
0 |
20 |
| Persoonlijke resultaten
|
| Doetinchem
|
Ap
|
Bp
|
%
|
ra
|
TPR
|
| 1 |
C.A.J. Nederkoorn |
6 |
4½ |
75 |
2047 |
2123 |
| 2 |
V. Rothuis |
6 |
5 |
83 |
1975 |
2215 |
| 3 |
T.P. Goossen |
7 |
5½ |
79 |
2042 |
2119 |
| 4 |
M. van Hal |
7 |
4 |
57 |
1994 |
1924 |
| 5 |
M. Küper |
7 |
4 |
57 |
2016 |
1862 |
| 6 |
P.P. Roessel |
5 |
1½ |
30 |
1843 |
1658 |
| 7 |
H. Haggeman |
7 |
3½ |
50 |
1799 |
1775 |
| 8 |
H. Steinhauer |
5 |
2 |
40 |
1733 |
1742 |
| 9 |
S.van Vucht
|
6 |
3 |
50 |
1809 |
1700 |
__________________________________________________________________________________
Doetinchem 2
Nog tot een dag voor de wedstrijd verkeerde ik in de veronderstelling dat
we het unieke plaatsje Glazenburg zouden gaan bezoeken. Een stadje, zo
verscholen tussen veluwezoom en rivierenland, dat het kennelijk aan mijn toch
niet geringe topografische kennis was ontsnapt.
Een waar vakantiegevoel had zich van mij meestergemaakt. Waarschijnlijk
kwam er slechts eens in de zoveel jaar een schaakploegje op bezoek, waarvoor
dan het hele dorp uitliep, daar dit weer het enige contact met de buitenwereld
zou zijn voor de komende tien jaar.
Er zouden straatfeesten en balspelen zijn. Op het prachtige gotische
plein voor de middeleeuwse kathedraal - de bisschop speelde op bord vier -
aten we eerst aan lange houten tafels een uitgelezen maaltijd, rijkelijk
overgoten met gerstebier. Waarna het in optocht naar de plaatselijke, laat 13e
eeuwse herberg ging, waar prachtige met de hand gesneden borden en stukken op
ons lagen te wachten.
Het spreekt vanzelf dat we na afloop allen een papier zouden
ondertekenen, waarin we plechtig beloofden plaats en ligging van het unieke
stadje voor eeuwig geheim te houden teneinde de cultuur en gebruiken van deze
prachtige mensen volledig te beschermen.
Kort voor de afreis leerde mij de Osbode echter dat het hier niet ging om
een stadje maar om de heer Glazenburg, die in korte tijd, gebruik makend van
een voormalige gereformeerde kerk te Rheden, een heus denksportcentrum uit de
grond had gestampt en gemakshalve zijn naam had geleend aan zowel het centrum
als alle daarin gevestigde verenigingen.
En ik moet bekennen, toen we op een heldere vriesavond in december bij
het gebouw aankwamen, het had wel wat...
Elk dorp en elke stad, van Groningen tot Zeeland, heeft wel een paar van
die gebouwen. Een niet onaangename, ingetogen vroomheid straalt er vanaf. Het
gemis van een toren wordt ruimschoots goedgemaakt door de enorme gevel,
voornamelijk bestaand uit een scherpe driehoek, waarvan de kleinste hoek de
hemel lijkt te doorklieven. Een vleugje Amsterdamsche school is onmiskenbaar.
Bij binnenkomst leek het voor sommigen onder ons alsof we voortijdig het
paradijs betraden. Eén wand van de enorme kerkzaal werd grotendeels
inbeslaggenomen door een enorme voorraad alcohol. We spreken hier over een
stukje van 8 bij 4 meter. En hoewel de Moeder Gods nooit een prominente plaats
heeft gehad in de gereformeerde cultuur, viel mijn oog onmiddellijk op twee
prachtige flessen Tia Maria. Ernaast een fijne Johnny Walker, wat famous
Grouse, een parmantige Bourbon, alle soorten jenever, een eenvoudige cognac en
ontelbare biersoorten.
Na Jim en Henk, die meteen wilden bestellen, tot de orde te hebben
geroepen, maakten we kennis met de heer Glazenburg en zijn team.
De woonvertrekken van de familie Glazenburg bleken achter de pijpen van
het orgel te zijn ingericht. Het preekgestoelte was verwijderd teneinde het
uitzicht van Johnny Walker en de Famous Grouse niet te belemmeren. De ietwat
zoetige, muffe, maar niet onprettige geur bleek van de vloerbedekking, die van
muur tot muur liep, te komen.
Het geheel ademde de vijftiger jaren. Door velen, ietsje ouder dan ik ,
als een saaie spruitjestijd ervaren, doch door mij verafgood.
Charlie Parker, Miles Davis, Foster Dulles, een tijd waarin er nog "
voortgebracht " werd inplaats van " gegenereerd ", dingen
" gemaakt " werden inplaats van " gecreëerd ", men naar
muziek " luisterde " inplaats van deze te " beluisteren ",
een tijd waarin men elkaar nog een eerlijke hand gaf, inplaats van wildvreemde
mensen drie maal op de wang te moeten zoenen.
Kortom, je hoefde slechts de ogen te sluiten of je zag Botwinnik, Keres,
een jonge Fischer,en niet te vergeten Donner - die ongetwijfeld wel raad had
geweten met dat stukje van 8 bij 4 - elkaar aan één van de gezellige
schaaktafeltjes bestrijden.
Maar goed, we kwamen om te schaken. Kort voor achten reikte mijnheer
Glazenburg groengestreepte shirtjes, met op de rug de tekst "
Denksportcentrum Glazenburg ", uit aan zijn teamgenoten. De kieltjes
werden zonder morren, en als op commando over de schouders getrokken. Ze leken
mij nog het meest op de hesjes die tot voor kort door hoekmannen op de
Amsterdamse optiebeurs werden gedragen.
Gedurende mijn gehele partij had ik dan ook de welhaast onbedwingbare
neiging einge calls en puts bij mijn tegenstander te plaatsen.
We wonnen met 4-2. Wat moet ik over deze en volgende wedstrijden
vertellen? 4½-1½, 6-0 en 5-1. Op dit niveau beleeft een ieder zijn eigen
partij op geheel eigen wijze. Aan " toen deed hij zijn toren zus, en ik
mijn paard zo ", hebben we niets. Je zit vier uurtjes - bij ons is dat
meestal korter - in een prettig, afgesloten wereldje, dat eigenlijk slechts te
delen is met de directe tegenstander. Een ander heeft er niets mee te maken.
De huidige kracht van Doetinchem2 ligt in het feit, dat het een
uitgewogen geheel is. Er zijn geen noemenswaardige krachtsverschillen. Bord
zes zou net zo goed op bord één kunnen spelen.
Jim is een briljante speler, Harrold de betrouwbaarheid zelve, Philipe R.
een grillig genie, Jaap de relevatie van dit seizoen met 6 uit 6, Henk een
kleine grootmeester en ikzelf zet ook wel eens een stuk op de goede plaats.
Ondanks dit alles zitten we in een vreemde situatie. Alles gewonnen, 1
matchpunt en 2½ bordpunt voor op de naaste belager. Een remise in de laatste
wedstrijd zou volstaan, doch een nederlaag zou betekenen dat alles voor niets
is geweest. Dit zou een enorme klap voor het schaken in Doetinchem zijn. We
moeten er niet aan denken. Jaren van training en opleiding weggegooid! Ikzelf
zou geen stuk meer aanraken. Nooit meer.
| DSC Glazenburg
|
1687
|
- |
Doetinchem 2
|
1628
|
2-4
|
| 1 |
J. Glazenburg |
1759 |
- |
J. Slager |
1721 |
½-½ |
| 2 |
M. Avramovic |
1851 |
- |
H.H. Vrieling |
1671 |
½-½ |
| 3 |
R. Dekker |
1665 |
- |
P. Friesen |
1669 |
1-0 |
| 4 |
W.H.J.de Boer |
1726 |
- |
F.H.H. Kuggeleijn |
1554 |
0-1 |
| 5 |
J. Kooman |
1578 |
- |
J. Stuurwold |
1569 |
0-1 |
| 6 |
T. Koeweiden |
1545 |
- |
H.J. Hamer |
1587 |
0-1 |
| |
| Doetinchem 2
|
|
- |
Rokade
|
|
4½-1½
|
| 1 |
J. Slager |
|
- |
B.H.P. Heinsbroek |
|
½-½ |
| 2 |
H.H. Vrieling |
|
- |
M. Demkes |
|
½- ½ |
| 3 |
P. Friesen |
|
- |
L.F.M.van Noord |
|
1-0 |
| 4 |
F.H.H. Kuggeleijn |
|
- |
W.J. Oostendorp |
|
1-0 |
| 5 |
J. Stuurwold |
|
- |
H.J. Duijverman |
|
1-0 |
| 6 |
H.J. Hamer |
|
- |
L.M. Eisink |
|
½- ½ |
| |
|
Doesborgh 2 |
1525
|
- |
Doetinchem 2
|
1620 |
0-6
|
| 1 |
NO |
- |
- |
W. Lenderink
|
1618
|
0-1
|
| 2 |
J.G.N.R. Ravensteyn |
1447 |
- |
J. Slager |
1721 |
0- 1
|
| 3 |
H. Rensen |
1672 |
- |
P. Friesen |
1669 |
0- 1
|
| 4 |
A.J. Lebbink |
1455 |
- |
F.H.H. Kuggeleijn |
1554 |
0- 1
|
| 5 |
J.G. Crooy |
- |
- |
J. Stuurwold |
1569 |
0- 1
|
| 6 |
H.van Waardenburg |
- |
- |
H.J. Hamer |
1587 |
0- 1
|
| |
|
Doetinchem 2
|
1628
|
- |
't Hazenpad
|
1599
|
5-1
|
| 1 |
H.J. Hamer
|
1587
|
- |
NO |
-
|
1-0
|
| 2 |
J.
Stuurwold
|
1569
|
- |
NO |
-
|
1-0
|
| 3 |
J. Slager |
1721 |
- |
H. Hermsen |
1625 |
½-½ |
| 4 |
H.H. Vrieling |
1671 |
- |
N. Kalezic |
1600 |
1-0
|
| 5 |
P. Friesen |
1669 |
- |
A.J. Verhoef |
1592 |
½- ½ |
| 6 |
F.H.H. Kuggeleijn |
1554 |
- |
Th. Putman |
1579 |
1-0
|
| Persoonlijke resultaten
|
| Doetinchem2
|
Ap
|
Bp
|
ra
|
TPR
|
| 1 |
W. Lenderink |
1 |
1 |
1618 |
1809 |
| 2 |
J. Slager |
6 |
3½ |
1721 |
1748 |
| 3 |
H.H. Vrieling |
5 |
3½ |
1671 |
1846 |
| 4 |
P. Friesen |
6 |
3½ |
1669 |
1651 |
| 5 |
F.H.H.
Kuggeleijn |
6 |
4½ |
1554 |
1795 |
| 6 |
J. Stuurwold |
5 |
5 |
1569 |
2002 |
| 7 |
H.J. Hamer
|
5 |
3½ |
1587
|
1683
|
Helaas gaf de internetsite van de
O.S.B.O. geen tussenstand van deze competitie.
______________________________________________________________
Analysehoek
Met bijdragen van Henny
Haggeman
Rijp voor het
trottoir
Verwerking is een van de meest onderschatte en tevens
belangrijkste aspecten van het schaakspel. Ik zie nog de broer van mijn
tegenstander uit onderstaande partij, vol wroeging zitten op de trottoirband
tegenover ons denksportcentrum na een volledig onnodig verloren partij tegen
Theo Goossen. Nooit, nee nooit zou hij nog een schaakstuk aanraken. De
trottoirband op de donkere vooravond in november werkte blijkbaar helend, want
de broer (Ruud) speelt nog altijd.
Toen ik die zatermiddag in Arnhem hoorde dat ik aan bord
zeven Erik Wille zou treffen – op schaakgebied nog net iets talentvoller dan
zijn toch bepaald niet onbedeelde broer – wist ik dat ik niet kon verliezen.
Zelfs niet als ik zou verliezen. Erik Wille is een zogenaamde 2000-plusser,
wat Marino Kuiper mij tijdens de openingsfase al kwam vertellen, maar wat ik
ook al wist. Een strategische opstelling van ASV 2 had mij (dik 200
ratingpunten lager) gebracht tegenover de op papier sterkste schaker (2034)
van dit team. ,,Ik doe net alsof ik tegen Theo Goossen speel’’, zei ik
tegen Marino. ,,Van Theo win ik ook.’’ ,,Soms’’, voegde ik er aan toe.
Helemaal toevallig was de vergelijking tussen Goossen en Wille niet. Tegen de
Arnhemmer was ik juist in een variant uit het Hollands verzeild geraakt, de
lijfopening van Theo.
Drie uur later was Wille in gepeins verzonken en rookte
ik buiten het Arnhemse clubgebouw tevreden een sigaret. ,,Ik kan niet
verliezen’’, zei ik nog eens tegen mezelf, nauwelijks beseffend dat de
winst voor het grijpen lag. Met een grootmeesterlijk speculatief loperoffer
had ik Wille op de twaalfde zet verrast. Alles wees erop dat het offer correct
was en dat mijn tegenstander in grote moeilijkheden verkeerde.
Een half uur later gaf ik op. Bepaald niet verbrijzeld,
nee, nog steeds met het gevoel dat ik niet kon verliezen. Maar de nacht die
volgde werd alles anders. Eeuwige roem had ik weggegooid en de 4,5-3,5
nederlaag van mijn team maakte mijn verlies er ook al niet dragelijker op.
Drie keer schrok ik wakker in het besef dat het nooit wat zou worden met de
schaker Haggeman.
Haggeman, die op de zeventiende zet nogmaals de
grootmeester uit dacht te hangen, zijn tegenstander ongetwijfeld weer
verrastte, maar dit keer blij. In een klap was alles over, ook mijn
schaakcarriere. Rijp voor het trottoir. Alleen verwerk ik de tegenslagen
anders. Een dag na de doorwaakte nacht, schrijf ik de ellende van me af. Speel
mee en huiver…
(13)
Haggeman,H - Wille,E [A85]
promotieklasse
Doetinchem, 17.11.2002
| 1.d4 e6 2.Pf3 f5 Verroest,
Hollands. Ik speel dat graag tegen Theo, alleen kon ik nu al niet meer mijn
favoriete variant (1 d4 f5 2 c4 Pf6 3 Pc3 e6 4 f3) op het bord brengen omdat
ik op de 2e zet mijn paard al naar dat veld had gespeeld. 3.c4
Pf6 4.Pc3 d6 5.Lg5 Hier liet de
kennis van de theorie mij al in de steek. Normaal is 5 g3, maar volgens mij is
met de tekstzet niets mis. Op dit moment had ik de volgende inschatting
gemaakt: Wille is van zins mij volledig op de koningsvleugel te overlopen met
denderende pionnenopmars, dus ga ik lang rokeren.
5...Le7
6.e3 Pbd7 7.Ld3 c6 Geïnspireerd
door Petrosjan? 8.Dc2 Da5 9.0–0 Met
de vijandelijke dame op a5 trok mij de lange rokade niet meer zo. Ik vond dat
ik uitstekend stond. Mijn ontwikkelingsvoorsprong was dusdanig dat een
avontuur van zwart op de koningsvleugel mij volstrekt onverantwoord leek. 9...g6 Niet
echt overtuigend, vond ik. 10.Tfe1
e5 11.e4 f4 Diagram
|
|
| Ik
had een massale afruil in het centrum verwacht, wat me een goede stelling zou
opleveren. De tekstzet had ik ook gezien en ook het offer dat daarna mogelijk
was. Ik hoopte dat hij het niet zou spelen, want helemaal vertrouwde ik mijn
12e zet niet.12.Lxf4! Fritz
geeft 12 c5 om zo de zwarte pionnenstelling aan te tasten. In elk geval een
zekerder manier van op winst spelen dan ik deed. Ik had alleen 12 d5 als
alternatief overwogen en die zet haalde het niet bij het loperoffer.
Speculatief, maar volledig correct, al kwam ik daar pas een dag later achter.
12...exf4 Anders
staat zwart gewoon een pion achter. 13.e5 dxe5 14.Pxe5 Pf8 Diagram
|
|
| Ik had alleen gekeken
naar: 14...Pxe5 15.Txe5 Dd8 16.Tae1 en de situatie als niet geheel duidelijk
in geschat. In werkelijkheid staat wit overweldigend. 16...Pg8 De enige zet die Txe7 voorkomt. 17.Lxg6+
hxg6 18.Dxg6+ Kd7 19.Dg7 Th6 20.Txe7+ Pxe7 21.Dxh6 analysediagram
|
|
| Met 4 pionnen voor het stuk en de zwarte stukken hopeloos
gepositioneerd heeft wit overweldigende compensatie 15.d5
Dreigt d6
15...Dc7
16.Tad1 Hier had ik alle tijd een
sigaret te roken, een appel te eten en eens rustig bij de andere borden te
kijken. Ondertussen zag ik vergenoegd toeschouwers en andere spelers naar mijn
bord kijken, waar zwart duidelijk in de problemen was. Marino Kuper zei me dat
-als ik dit tot een goed einde zou brengen- ik mijn eigen onsterfelijke partij
zou hebben gespeeld (ik noemde het zijn 'Immer Grüne' MK). Wille als mijn
Kieserkitsky. Enfin, in plaats van al dat gewandel en gemijmer had ik mij
beter op de partij kunnen concentreren, want het kwam er nu op aan. De
tekstzet had ik wel gezien, maar bleek venijniger dan ik had verwacht.
16...Lg4 Na
vanaf de 12e zet alles goed te hebben gedaan, raak ik hier verstrikt in de
wirwar van varianten. Naderhand dachten Wille en ik dat
17.f3 het beste was. Ik speelde het niet omdat ik bang was voor Lc5+
en vervolgens Le3. Fritz geeft een nog sterker antwoord 17...Lh5! 18.d6 Dxd6
19.Lxg6+ Lxg6 20.Pxg6 Dc5+–+ analysediagram
|
|
| wit heeft twee alternatieven, die ik allebei heb overwogen,
maar terzijde schoof omdat ik niet ver genoeg rekende:; 17.Td2 verworpen
omdat ik dacht dat zwart zich zou redden met 17...0–0–0 (17...f3
is relatief het beste 18.d6
Lxd6 en ook wits koningstelling wordt
uiteen gereten.)
18.Pf7 Tg8 19.dxc6 bxc6 20.Pxd8 Lxd8²
Diagram
|
|
| 17.Pxg4! De zet naar
winst. 17...Pxg4 18.c5! (18.d6?
is veel minder sterk omdat de zwarte
dame zich aan de batterij kan onttrekken door na Dxd6 19 Lxg6+? de loper te
slaan 18...Pe3
deze moeilijk te vinden zet is de enige zie zwart nog in de oartij houdt. 19.fxe3 Lxc5 20.dxc6 bxc6 21.Lb5! Kf7 22.Pa4
cxb5 23.Pxc5 Td8 24.Db3+± analysediagram
|
|
Aldus
Fritz. Die oordeelt dat wit na deze doldrieste variant (die Wille noch ik ooit
hadden gevonden) groot voordeel heeft. De zwarte stelling is gatenkaas (JC, de
grote filosoof uit betondorp spreekt hier van geiten- of schapenkaas MK).] En
wat zag ik dan wel, na een kwartier het een en ander te hebben overwogen? Veel
te weinig én een tweede ‘grootmeesterlijke’ zet. Dat is de ellende met
ons prutsers: doe je een fantastische zet op een middag, denk je gelijk dat je
er nog een ziet. De tekstzet is in feite kamikaze. Wilde ik er toch vanaf en
gewoon duidelijkheid verschaffen over die 235 ratingpunten die er tussen ons
inzaten?
In de eerste OSBO-ronde had ik een fraaie winstvariant niet gespeeld,
omdat er een lek in zat en ik dacht dat de tegenstander die wel zou zien. Mooi
niet dus, zo bleek tijdens de analyse. Het idee er achter was in een stelling
met wederzijds aangevallen dames, mijn dame op behendige wijze aan de aanval
ontrekken door schaak, dan wel een mataanval. Zo’n ingeving kreeg ik in deze
stelling ook en wel met een offer op g6. Ondertussen meende ik zoveel
aanvalsmogelijkheden te zien dat ik het speelde. Met desastreuze gevolgen.
17.d6?? 17...Lxd1
Ineens zag ik dat er niets van klopte. Zweet op het voorhoofd. 18.Lxg6+
hxg6 19.Dxd1 Dxd6 20.Dxd6 Lxd6 21.Pxg6+ Kf7 0–1
De clubavond op dinsdag heb ik maar even aan me voorbij
laten gaan. Niettemin besef ik dat het verwerkingsproces pas definitief wordt
afgesloten door een volgende partij. Dat zal bij het verschijnen van deze
Secondant inmiddels wel zijn gebeurd.
______________________________________________________________
Op het moment
zelf ontging de diepzinnigheid mij grotendeels
Het is maar goed dat ik zelf de eindredactie voer bij de
krant, anders was er een lyrisch verslag over onderstaande partij in de
kolommen beland. Daarin werd gewag gemaakt van achtereenvolgens een dameoffer
en een torenoffer van zwart, resulterend in mat. Theo Goossen had tegen
schaakmedewerker Bob de Jong zelf het woord ‘briljant’laten vallen. De
Jong kent mij goed genoeg om te weten dat dat woord zelden op iets dat uit
mijn vingers komt van toepassing kan zijn. En zeker niet op de schaker
Haggeman.
Achteraf speelde ik die zaterdag tegen Vincent Vleeming
van De Toren uit Arnhem aan bord zeven een bijna perfecte schaakpartij, met
prachtige offers. Helaas ontging de diepzinnigheid op het moment zelf mij
grotendeels. De eerlijkheid gebied mij zelfs te zeggen dat ik – toen ik zag
dat ik mijn dame ging verliezen – op het punt stond mijn tegenstander de
hand te schudden. Zeker ik kon niet bevroeden dat ik mijn tegenstander drie
zetten later geforceerd mat zou zetten.
Hieronder de flagrante ontluistering.
(51)
Vincent Vleeming - Henny Haggeman [B86]
Promotieklasse,
2003
| 1.e4 c5 2.Pf3 d6 3.d4 cxd4 4.Pxd4 Pf6 5.Pc3 a6 6.Lc4 e6 7.Le3 Le7 8.Lb3
Dc7 9.De2 Ld7 10.0–0–0 b5 Mijn tactiek was op een ding gebasseerd: mijn
tegenstander zo lang mogelijk in het ongewisse laten over naar welke kant ik
zou rokeren. Want natuurlijk wilde hij niets liever dan een stormloop beginnen
over de g-lijn. Ik besloot hem voorlopig geen aanknopingspunt te geven.
11.f3 Pc6
12.g4 Pxd4 13.Txd4
Ik had alleen gekeken naar 13. Lxd4. Daarop had ik 13. …, Lc6 14. g5, Pd7
klaarliggen. Maar ik was bevreesd voor 15. h4. Fritz geeft zonder angst b4 en
daarna 0-0. Ik zat sterk te denken aan Tg8, wat er natuurlijk niet al te best
uitziet. De witte tekstzet stelde me gerust. Lc6 14.g5 Pd7 Ik was heel tevreden over de stelling. Terecht aldus Fritz, die voor het
eerst licht voordeel voor zwart geeft. De komende zetten leverden mij het
bewijs dat wit de weg wat kwijt was 15.Tf1? Pc5 16.h4 Db7 17.Te1 Diagram
|
|
| Fritz
geeft de computerzet Tb4. Een mens verzint zoiets niet. De toren moet weg van
f1 want er dreigt 17. …, b4 en 18. …, Lb5 met kwaliteitswinst.17...b4
18.Pd1 Pxb3+ 19.cxb3 Terugslaan
met de a-pion is evenmin aantrekkelijk omdat zwart dan kansen krijgt over de
a-lijn.
Lb5 20.Df2 Tc8+ 21.Kb1 0–0 Hier heeft wit dan zijn lang gehoopte
aanknopingspunt. De korte rokade was een principieel besluit. Ik wist dat ik
nu een gruwelijke aanval over me heen kreeg maar tevens dat dit de enig
serieus te nemen zet is. Tot hier ging alles naar wens alleen begon ik knap
moe te worden. Ik had slecht geslapen. Eigenlijk had ik vooraf getekend voor
een remise, maar nu was er geen weg meer terug. 22.Dg1 Tc7 Ook principieel. Bovendien wilde ik nog
helemaal niet nadenken over wat er allemaal met mijn koningsstelling kon
gebeuren. Fritz geeft 22. …, f5 wat wit inderdaad behoorlijk de wint uit de
zeilen neemt. 23.Pf2 a5? Pion b4 stond in maar dit kost zwart een tempo. Gelijk Tfc8 is sterker.
24.h5 Tfc8 25.Pg4 Tc2 26.g6 Diagram.
|

|
| Tijdnood
begint nu ook een rol te spelen. Na zwarts volgende zet hebben beide spelers
nog een kwartiertje om de veertig zetten vol te maken. Nu gooi ik de knuppel
– voor zover dat al niet was gebeurd – in het hoenderhok. Fritz geeft 26.
…, fxg6 27. hxg6, h6 en zwart
heeft nog steeds 0,78 punt voordeel (Fritz-taal). Na de tekstzet (zwart wil
Pg4 wegjagen om Lf6 te kunnen spelen) zijn de kansen gelijk.
26...f5?
27.gxh7+? Beter
is exf5.
Kxh7 28.Pf2 f4!? Diagram
|
|
| Beter
was Lf6 met 1.13 voordeel voor zwart. De tekszet komt niet op bij Fritz en is
ook levensgevaarlijk. Mijn simpele plan – in steeds groter wordende tijdnood
– was na 29. Lxf4 met e5 een stuk te winnen. Wit kan zich echter in elk
geval redden met Td2. Het is duidelijk dat zwarts radertjes metaalmoeheid
beginnen te vertonen. De volgende variant is winnend voor wit: 29. Lxf4, e5
30. Dg6, kh8 31. h6, Lh4 32. Td2. Wit denkt – begrijpelijk – veel beter te
hebben en grijpt onmiddellijk het initiatief. Het blijkt de weg tot geforceerd
verlies, maar dat kon zelfs Fritz op dit moment niet bevroeden. Na de tekstzet
geeft hij 0,25 voordeel voor wit. 29.Dg6+? Kh8 30.h6 Lf6 31.Th1 Kg8 32.Pg4 Lxd4 Diagram
|
|
| Allemaal
geforceerd. Ik maakte me hier ernstige zorgen, zeker omdat ik de volgende zet
van wit helemaal had gemist. Fritz zelf ziet hier ineens dat wit het verkeerde
pad bewandeld en geeft de volgende variant die ook op fantastische wijze
verliest voor wit: 33. Lxd4, Tc1 34. Txc1, Ld3 + 35.
Tc2, Lxc2 36. Kc1, Lxe4. Deze
variant kwam na afloop op het bord dankzij wat omstanders. Ik had de
mogelijkheid Tc1 in combinatie met Ld3 niet eens gezien. 33.Dxe6+ Df7 Ik zou hier een vrachtwagen aan uitroeptekens
achter deze zet kunnen plaatsen, maar zwart heeft niets anders. Bovendien had
ik op dit moment geen idee de ‘briljantste’ zet uit mijn schaakloopbaan te
doen en evenmin dat ik mijn dame maar zo inzette. 34.h7+ Een enorme klap. Het was dat ik nog wat vaags op b2 zag anders had ik
hier onmiddellijk opgegeven. Mentaal berustte ik hier in de nederlaag.
Kh8 35.Dxf7 Txb2+
36.Ka1 Diagram
|
|
Maar
nu niet meer. Hier restte mij nog twee minuten en ineens zag ik de
matcombinatie die zo uit het vermaarde stappenplan van Cor van Wijgerden lijkt
te zijn weggelopen.
36...Tb1+!
Nu wel
een uitroepteken natuurlijk. Omstanders hadden naar Th2 gekeken en misschien
had zelfs fxe3 nog wel gewonnen. Want verloren staat zwart allerminst ondanks
het dameverlies. Maar dit is gewoon simpel mat. De blik van mijn tegenstander
die me vol ongeloof aankeek, zal ik niet glad vergeten. 37.Kxb1Ld3#
______________________________________________________________
|
SVD-ers
op pad
SCHAKEN
OP SUMATRA
Januari 1992. Brastagi
ligt op enkele uren rijden van de hoofdstad Medan op Sumatra, Indonesië. Het
is een vermoeiende rit. Het busje, een kruising tussen jeep en bestelbus, klimt
1400 meter omhoog over een weg die, nu het regenseizoen is aangebroken,
ontelbare kuilen afwisselt met noodbruggen over modderige bergbeken. Maar als
beloning wacht een alleraardige verblijfplaats die populair is bij
rugzaktoeristen. Dichtbij zijn twee vulkanen die zonder moeite beklommen
kunnen worden en de bevolking is erg vriendelijk.
Dit is het land van de Karo-Bataks. Door de eeuwen heen golden de Bataks
als een strijdlustig en ruig volk. De dorpen lagen voortdurend met elkaar
overhoop, en nog geen 100 jaar geleden werden misdadigers gestraft met
kannibalisme door mededorpelingen. Voor veel Indonesiërs staat Batak ook
nu nog voor barbaar maar dat is allang achterhaald. De 20e eeuw is er
veel veranderd, en het land van de Bataks maakt een vreedzame en relatief ontwikkelde
indruk. Dankzij de bemoeienissen van Noord-Europeanen mag twee derde van de
Karo-Bataks zich christelijk noemen, wat ongewoon is in deze overwegend
islamitische republiek.
Ondanks de veranderingen zijn veel eigen tradities behouden gebleven. De
belangstelling voor magie is onveranderd groot, wat opgevat kan worden als een
overblijfsel van de oude natuurgodsdiensten. Het Indonesia Handbook noemt
nog een andere traditie van de streek: er wordt ‘op grote schaal’ schaak
gespeeld. Ik neem het niet zo serieus. Dezelfde schrijver zou in een Holland
Handbook ongetwijfeld zeggen dat men in Holland ‘op grote schaal’ sjoelt
en ‘regelmatig’ op klompen loopt.
Maar de tweede middag in Brastagi vertelt een Amerikaanse reiziger dat er
’s avonds in cafeetjes druk om geld wordt geschaakt en hij verzekert me: “Ze
zijn écht goed!”. Dat is voldoende om de interesse te prikkelen en ’s
avonds eens op onderzoek uit te gaan. Het centrum is niet veel meer dan een
brede stoffige weg met winkeltjes en cafeetjes. En inderdaad, in een van de
eerste barretjes zitten twee scholieren in een walm van kruidnagelsigaretten
over het schaakbord gebogen. Een tafel verder wordt een ingewikkeld
toreneindspel geanalyseerd door twee oude mannen met verweerde gezichten onder
versleten honkbalpetten. Terug op de hoofdstraat gekomen kijk ik naar binnen in
het kale, met TL verlichte politiekantoortje. De twee dienstdoende agenten zijn
aan het schaken.
Op de stoep voor een kroeg zitten twee veertigers. De witspeler schuift
op dat moment een gewonnen stelling met fijne positionele zetjes uit. “Me
Karpov!” grijnst hij vrolijk. “But me Kasparov” antwoord ik, waarop hij
lachend een biljet van 10.000 Rupiah, ongeveer 10 gulden, onder het bord vandaan
schuift. “Wil je spelen?”. Daarop reageer ik misschien iets te gretig, want
er gebeurt iets vreemds. Geschrokken roept hij: “Nee, nee. Niet nu, morgen! We
gaan nu sluiten!” In een andere kroeg herhaalt zich ongeveer hetzelfde
tafereel. “Morgen, morgen moet je terugkomen”.
Een jongeman van 25, Ula Lolou genaamd, wil wel spelen mits het niet om
geld gaat. Hij speelt immers ‘nog om te leren’. De partij, helaas niet
genoteerd, gaat ongeveer als volgt. Hij opent met 1.e3 en 2.g3 (Zou hem
afgeraden zijn om tegen reizigers 1.e4 of 1.d4 te spelen omdat die de theorie
kennen?) Zwart krijgt een aanval tegen de witte koning die in het midden is
gebleven, maar die vangt wit soepel op. Even later vliegen de witte pionnen
naar voren en komt ook het zwaardere geschut het zwarte kamp binnen. Het lijkt
allemaal te pareren totdat hij een schitterend torenoffer op het bord tovert.
Het levert slechts twee pionnen op, en ik kan mijn ogen niet geloven als even
later een van zijn pionnen onvermijdelijk promoveert. Opgegeven, stomverbaasd
maar ook verrukt van zijn spel, terwijl ik me afvraag hoe ik dit thuis ga
vertellen.
En alsof het al niet genoeg is vertelt Ula dat hij slechts een
'gemiddelde' speler is. Een handvol schakers in het dorp is ‘beduidend
sterker’ dan hij. Hij legt uit dat de broodschakers goed verdienen aan de
achteloze backpackers die altijd wel in dit plaatsje te vinden zijn, maar voor
de zekerheid passen ze een soort 'back-up systeem' toe. De eerste partij komt de
reiziger tegenover een schaker van gemiddelde sterkte te zitten. Voordat die
partij begint zorgt een van de plaatselijke toppers ervoor dat hij onder de
toeschouwers aanwezig is. Mocht het met zijn zwakkere dorpsgenoot mis gaan, dan
daagt de topper de reiziger uit. Tegen een verdubbelde inzet dan wel te
verstaan. Zo wordt bijna altijd het financiële verlies meer dan gecompenseerd
waarna de buit kan worden verdeeld.
Mocht
een buitenlander om geld willen spelen terwijl niemand van de kanjers in de
buurt is, dan wordt de partij gewoon uitgesteld. Vandaar dus het weigerachtige
gedrag van ‘Karpov’ en zijn metgezellen eerder deze avond!
|
______________________________________________________________
De hond van Hübner
Interview met Pheadrus
Door Marino Kuper
Wat
goed is Phaedrus,
En
wat niet goed is –
Moeten
wij iemand vragen ons dat te vertellen?
Het is nu al enige
maanden geleden dat Phaedrus zich bij mij meldde op een van de
internetschaakclubs die ik frequenteer. Hij had mijn ‘notes’ gelezen en gaf
te kennen dat hij vroeger lid was geweest van onze schaakvereniging. Dit was de
opmaat tot een intensief contact waarin wij al chattend veel onderwerpen, die
direct of indirect met schaken te maken hadden, de revue passeerden. Phaedrus
bleek een originele geest met uitgesproken opvattingen over schaken en de beste
wijze om vorderingen te maken in dit spel.
Hoewel hij 20 jaar
geleden voor het laatst een serieuze partij speelde, bleek zijn schaakkracht nog
altijd imponerend. In een serie partijen met wisselende speeltempo’s werd ik
keer op keer verslagen. Uiteindelijk bleef de teller staan op 18½- 3½. Zijn
ware identiteit weigert hij te onthullen. Wel kwam ik te weten dat hij is
gepromoveerd op het onderwerp hoogbegaafdheid. Het is vanuit de combinatie van
pedagogisch/didactische kennis en belangstelling voor het schaakspel, dat hij de
behoefte voelt om zijn opvattingen wereldkundig te maken. Op mijn voorstel om
‘De secondant’ als podium te gebruiken reageerde hij aanvankelijk
gereserveerd. De oplage vond hij niet bepaald indrukwekkend. Mijn verzekering
dat al zijn bijdragen eveneens op onze website zouden verschijnen gaf tenslotte
de doorslag. Vanaf dit nummer zal Phaedrus U helpen om uw schaakkracht verder te
ontwikkelen. De technieken die hij daarbij aanbiedt zijn vanuit de traditionele
schaakpedagogiek ongebruikelijk. Maar als we Phaedrus mogen geloven zijn ze
ongekend efficiënt en effectief.
Als inleiding op
zijn artikelenreeks geef ik u een aantal passages uit onze chatsessies. Ter
wille van de leesbaarheid heb ik deze sessies omgewerkt tot een interview dat
Phaedrus voorafgaand aan deze publicatie onder ogen heeft gehad en gefiatteerd.
Waarom voelt u zich geroepen om nog wat toe te voegen
aan de duizenden pagina’s schaakliteratuur die jaarlijks het licht zien?
Dat
is een vraag met een provocatief karakter. Ik laat me echter graag uitdagen! Het
moet nu maar eens eerlijk gezegd worden: ongeveer 98% van alle schaakliteratuur
is volslagen nutteloos. De gemiddelde schaakamateur die sterker wil worden heeft
er helemaal niets aan. Dat zou op zich nog niet zo bezwaarlijk zijn als dit ook
aan de argeloze lezer duidelijk werd gemaakt. Maar het tegendeel is het geval!
Het merendeel van de auteurs claimt impliciet of expliciet in de titel of in het
voorwoord dat de lezer met dit boek een forse ratingsprong zal maken. Het is
niet moeilijk om aan te tonen dat de meeste boeken deze belofte bij lange na
niet waarmaken. Gaat u voor uzelf maar na: welk schaakboek hebt u als laatste
serieus doorgenomen en hoeveel is uw rating daarna gestegen?
Indien u mocht
denken uw eigen gebrek aan resultaat toeval is, moet u uw clubgenoten dezelfde
vraag voorleggen. Ik garandeer u dat het overgrote deel van de reacties overeen
zal komen met uw eigen ervaring. Namelijk: het bestuderen van het overgrote deel
van de schaakliteratuur heeft geen meetbaar effect op uw schaakkracht.
Zijn schaakboeken dan ongeschikt als
trainingsinstrument?
Meestal wel! Zoals
gezegd 98% van alle boeken sorteert geen effect en helpt de gemiddelde speler
niet verder in zijn ontwikkeling. Maar een enkel boek is inderdaad geschikt om
de ijverige student verder te helpen.
Doelt u op de
klassiekers uit de schaakliteratuur. ‘My
60 memorable games’ van Fischer, ‘The test of time’ van Kasparov,
‘Common sense in chess’ van Lasker, etc.
Grote werken, dat
zonder enige twijfel! Soms onderhoudend, altijd interessant en vaak ook
getuigend van een diep inzicht in het spel. Wellicht dat deze boeken inderdaad
geschikt zijn om de schaker die tegen het niveau van Internationaal Meester
aanzit verder te helpen. Het staat voor mij echter vast dat het bestuderen van
deze boeken voor spelers onder een rating van 2200 weinig invloed zal hebben op
hun speelsterkte. Met andere woorden. Als je het leuk vind om kennis te nemen
van de diepzinnigheid van het spel in de wereldtop, dan is het doornemen van
zo’n boek aan te bevelen. Maar als u uw tijd wenst te gebruiken om sterker te
worden, doet u er goed aan deze boeken links te laten liggen.
Waarom worden deze boeken dan gezien als klassiekers
en worden ze alom geprezen?
Dat komt omdat de
vakpers vaak bestaat uit (voormalige) topschakers. Zij zijn uitstekend in staat
om de kwaliteit te bepalen van analyses. Hoe beter de analyse hoe beter het
boek, denken ze. Als die kwaliteitsanalyses dan ook nog eens vergezeld gaan van
onderhoudend proza, dan kwalificeren deze experts het boek al snel als een
topper. Zij houden echter absoluut geen rekening met de kenmerken van de
gemiddelde clubschaker. Deze is vaak allerminst gebaat bij het uitbenen van
uitermate complexe stellingen, waarbij de analyses tot ver achter zijn
visualisatiegrens worden uitgewerkt. Ook de ‘algemene beschouwingen’ waarmee
deze analyses vaak worden doorspekt, onttrekken zich vaak aan het
bevattingsvermogen van clubspelers.
Laten we eerlijk
zijn. Welke clubspeler heeft nu werkelijk baat gehad bij het internationaal
unaniem geprezen ‘groot analyseboek’ van Timman?
Uit dit soort
boeken doe je toch veel kennis op?
Dat mag zo zijn!
Maar het probleem is dat u schaakkennis niet gelijk mag stellen met schaakkracht
. Dat kennis en kracht (ook wel vaardigheid) van elkaar verschillen is in elke
sport gemeengoed, maar in het schaken worden deze twee begrippen erg vaak met
elkaar verward. Daarnaast is niet alle kennis op elk niveau even belangrijk. Een
enorme kennis van de wetten van het positiespel is voor een speler onder de 2000
ratingpunten eigenlijk nauwelijks te gebruiken. Op dat niveau worden partijen
beslist door tactische wendingen, niet door positiespel.
Versimpelt u
niet ontzettend?
Beslist niet! Ik
daag elke speler met een betrouwbare rating onder of rond de 2000 uit om zijn
partijen te laten analyseren door een computer. Uit deze analyses zal duidelijk
blijken dat in al deze partijen ernstige tactische missers zitten. Vaak zijn dit
zetten die de stellingsevaluatie om laten slaan van ‘iets beter’ naar
‘beslissend voor- of nadeel’, dan wel een ‘gewonnen stelling’ veranderen
in een ‘gelijke’ of zelfs ‘verloren’ stand. Zelfs in de spaarzame
partijen waarin dit niet het geval is zult u merken dat er regelmatig sprake is
van zetten die het stellingsoordeel op slag met meer dan 1 punt veranderen. Ook
deze zetten zijn in feite tactische missers, zij het dat ze ontoereikend zijn om
de uitslag van de partij te beïnvloeden. Maar dat is dan natuurlijk meer geluk
dan wijsheid.
Dus gebrek aan tactische vaardigheid onderscheidt de
gemiddelde clubspeler van sterke spelers?
Zo is het! Spelers
die het overgrote deel van zijn partijen kunnen spelen zonder zetten die het
stellingsoordeel in één zet met een vol punt of meer beïnvloeden, vind je
niet of nauwelijks onder de 2200 grens.
Laten we eens een
gedachtenexperiment doen om het belang van tactiek in het schaakspel verder te
onderbouwen! Stel u voor dat u gevraagd wordt om de winnaar aan te wijzen in een
match tussen een twee identieke computers.
De ene draait een schaakprogramma met het meest verfijnde openingenboek, alle
programeerbare positionele kennis maar zonder enig vermogen tot het uitrekenen
van tactische wendingen. De andere heeft een programma zonder enige kennis van
positiespel en openingen maar met een maximaal tactisch vermogen. Welke computer
zal winnen? Het lijdt geen twijfel dat de tactische machine alle partijen wint!
Waarom houden de meeste clubspelers en de meeste
boeken zich dan niet met dit aspect bezig?
Daar heb ik veel
over nagedacht. Ik zie verschillende redenen. Clubspelers worden om de volgende
redenen weerhouden om datgene te doen waar ze het meest profijt van hebben:
- Ze
beseffen niet hoe belangrijk tactiek is. Slechts weinig spelers analyseren
hun verloren partijen. Blijkbaar maken zelfs de mogelijkheden die de
computer biedt, het proces van nabeschouwen en grondig onderzoeken wat er
allemaal mis is gegaan niet minder pijnlijk.
- Clubspelers
bedotten zichzelf. Veel schakers die een tactische wending overzien, wijten
dit aan onoplettendheid, vermoeidheid en gebrek aan concentratie. Nu kan het
best zijn dat deze factoren soms een rol spelen, maar daar staat tegenover
dat op zo’n moment de zwakke punten in van een speler het eerst naar voren
treden. Je kunt het vergelijken met een wielrenner die moeite heeft met het
beklimmen van bergen. Op sterke dagen kan hij die zwakte wellicht maskeren
of overwinnen, maar op slechte dagen zakt hij door het ijs. Door te
verwijzen naar externe factoren of toeval maakt menig clubspeler zichzelf
wijs dat het echt wel meevalt met zijn tactische vaardigheid.
- Men
verwart het inzicht dat ontstaat na het moment dat de tegenstander de
wending op het bord brengt, met het vermogen om de wending tijdig te
onderkennen. Het maakt een groot verschil of je al dan niet geattendeerd
bent op een tactische wending. Wie herkent niet het gevoel dat de schaker
bekruipt die verrast wordt door een offer. Allereerst is er de shock en de
verwondering. Vervolgens de vraag: ‘wat heb ik overzien’? Daarna begint
het zoekproces waarbij men de wending meestal snel op het spoor komt. De
meeste spelers vervallen dan na de partij weer in bovengenoemde fout en
maken zichzelf wijs dat ze pech hadden en de wending simpelweg hebben
overzien. Slechts weinigen stellen zich serieus de vraag: waarom heb ik deze
wending overzien? Degenen die dat wel doen zullen vaak merken dat er sprake
van onvoldoende gevoeligheid voor een bepaald tactisch motief. Een
belangrijk aanknopingspunt als er een keuze gemaakt moet worden voor
trainings- en oefenvormen .
- De
meeste spelers vinden het oefenen van tactiek niet bijzonder leuk. Daar
hebben ze in zekere zin gelijk in. Schaakboeken met veel goed geschreven
tekst en relatief weinig diagrammen en varianten is makkelijker en
aangenamer dan het doorwerken van boeken met tactische opgaven.
- De
kosten/batenanalyse van de oefeningen valt niet altijd positief uit. Een
deel van de spelers die wel de moeite nam om eens een boek met tactische
oefeningen door te werken ziet onvoldoende rendement en raakt gedemotiveerd.
Schrijvers van
schaakboeken hebben weer andere redenen om tactiek te verwaarlozen:
- Veel
grootmeesters hebben van nature een groot tactisch talent. Zij onderschatten
de moeite die de gemiddelde schaker heeft met, in hun ogen, simpele
tactische wendingen;
- Op
het niveau van Internationaal Meester en hoger worden veel minder partijen
beslist door tactische wendingen en neemt het relatieve belang van techniek
en strategie sterk toe. Daardoor wordt hun denken en oordeel beïnvloed. Ze
beschrijven dan ook vaak de trainingsmethoden die ze zelf gebruiken.
- Het
aantal tactische motieven en wendingen is relatief beperkt en al redelijk in
kaart gebracht. Dat maakt het moeilijk om nog nieuwe invalshoeken te
verzinnen die een eigen boek of methode rechtvaardigen. Het gaat bij zo’n
nieuwe invalshoek namelijk niet meer alleen om schaakvaardigheden maar
evenzeer om didactische vaardigheden. Slechts weinig schaakauteurs zijn op
beide terreinen bedreven.
- Boeken
met tactische opgaven verkopen relatief slecht omdat de meeste clubspelers
zich laten afschrikken door de grote hoeveelheid diagrammen en analyses en
de geringe hoeveelheid tekst.
Het gevolg van dit
alles is dat veel schakers om de goede reden (het verhogen van het eigen
spelpeil) de verkeerde boeken kopen (over openingen, schaakstrategie en in
mindere mate eindspel) die voor het verkeerde publiek (niveau IM en hoger) zijn
geschreven.
Waarom volharden clubspelers dan in het kopen van die
verkeerde boeken?
Dat laat zich
licht raden. Allereerst is er op de markt van openingsboeken sprake van
boerenbedrog. We worden overspoeld met boeken die beginnen met ‘winning with
the …..’. Wie wil er niet een opening spelen die winst garandeert? Overbodig
te zeggen dat dergelijke claims op drijfzand berusten. Openingen die winst
garanderen bestaan niet. Daar komt bij dat het bestuderen van openingen een vals
gevoel van controle en veiligheid geeft. In de studeerkamer heeft de clubschaker
het idee dat hij al voor de partij bezig is de tegenstander af te troeven. De
veel optredende ervaring dat die hele voorbereiding voor niets was, is blijkbaar
onvoldoende om de meeste schakers vervolgens weer te weerhouden van deze
betrekkelijk nutteloze activiteit.
Ten aanzien van
middenspel geldt dat de meeste boeken vooral gericht zijn op strategie en veel
minder op techniek. Daarbij worden vooral partijen tussen grootmeester als
referentiemateriaal gebruikt. Lezers lijken vooral af te gaan op reputatie van
de auteur. Voorzover boeken aandacht schenken aan de behoefte van clubspelers
zie je dat ze vaak vervallen in methodieken en denkschema’s die de clubspeler
weliswaar geen jota verder helpen, maar die er op het eerste gezicht wel heel
aantrekkelijk en toegankelijk uitzien. Voorbeelden daarvan zijn de middenspel
boeken van Silman en Euwe.
Op het gebied van
het eindspel is de situatie nog veel dramatischer. Hier is nauwelijks een boek
te vinden dat ook maar enigszins tegemoet komt aan de behoefte van de gemiddelde
clubschaker. Ik herinner mij nog levendig hoe ik in de zeventiger jaren dagen
bezig was met een boekje van Awerbach met de titel: wat elke schaker van het
eindspel weten moet.
Een ware
verschrikking was het. Eindspelen, waarvan de kans dat ze bij mij op het bord
kwamen kleiner was dan op het winnen van de jackpot van de Staatsloterij, werden
volledig uitgebeend. Daarbij werden er ook nog eens ‘algemene regels’
gegeven die op zich al genoeg waren op menigeen tot wanhoop te drijven. Ik
overdrijf hier niet! Wat dacht u van de volgende regels die volgens de auteur
dus onderdeel moesten zijn van de schaakbagage van elke schaker:
- ‘In
een eindspel van koning en 2 pionnen tegen koning waarbij de partij met de
pluspion de pionnen op de F- en de G-lijn heeft, zal deze gewoonlijk winnen
als de tegenstander zijn pion op de G-lijn heeft, maar zal het meestal
remise worden met de pion op de F-lijn.’
- ‘Met
3 verbonden pionnen tegen een loper lukt het de pionnenpartij alleen om te
winnen als hij er in slaagt met alle pionnen de 4e rij te
passeren (met uitzondering van speciale gevallen).’
Gelukkig worden
deze boeken weinig verkocht omdat de meeste clubspelers sowieso weinig
affiniteit hebben met het eindspel.
Wat ziet u als uw opdracht?
De taak die ik mij
stel is clubspelers aan te zetten ‘de goede dingen laten doen’ en hem ‘die
dingen goed te laten doen’.
Veel auteurs en
trainers lijken nauwelijks te beseffen dat tijd een schaars goed is. De tijd die
de amateur in training steekt is relatief schaars en dient dan ook welbesteed te
zijn. Goede training is efficiënt (doelmatig) en effectief (doelgericht).
Gelukkig is het niet meer nodig om voor dat doel nog nieuw oefenmateriaal te
ontwikkelen. Geschikt materiaal is weliswaar moeilijk te vinden, maar niet
schaars. De lezer van uw onvolprezen periodiek en uw website krijgt van mij dan
ook te horen welk materiaal het meest geschikt is voor het verhogen van zijn
speelsterkte en op welke wijze dit materiaal het best gebruikt kan worden.
Wat mogen
schakers verwachten als zij uw adviezen opvolgen?
Dat hangt af van
het startniveau! Maar het is mijn overtuiging dat elke clubschaker met een
rating tussen 1400 en 1800 die mijn adviezen opvolgt en er voldoende tijd in
steekt (3 tot 5 uren geconcentreerde arbeid per week) binnen een jaar een
ratingsprong kan maken van tenminste 100 punten. Daarbij ga ik er wel vanuit dat
zo’n speler voldoende partijen speelt (minimaal 10 ratingpartijen per jaar).
Bij het doorzetten van deze inspanning moet een eindniveau tussen 2000 en 2100
voor de meeste van hen haalbaar zijn.
Hoe maakt men
de volgende sprong?
Vanaf een niveau
van 2100/2200 gaan aspecten een rol spelen die minder makkelijk te beïnvloeden
zijn door training. Hübner heeft ooit eens gezegd dat hij zijn hond op het
niveau van Internationaal Meester zou kunnen krijgen. Alhoewel we hier
natuurlijk te maken hebben met een metafoor, is deze claim onzinnig. Ik denk dat
schakers op IM-niveau van nature een zodanige
voorsprong hebben, dat normale stervelingen deze kloof niet door extra
training kunnen overbruggen. Het is overigens wel een mooi beeld. Dit moet u
maar gebruiken als titel voor mijn rubriek: De hond van Hübner. Het is
overigens tijd om met deze chat te stoppen. Mij lief serveert op dit moment met
veel toewijding de lamskoteletjes uit. Vanaf de volgende secondant kunt u mijn
bijdragen tegemoet zien.
______________________________________________________________
Het
Elsevier Science Rapidtoernooi.
Op 18 november vond het eerste Elsevier Science
Rapidtoernooi plaats, de opvolger van het Gelders Dagblad Toernooi. Er waren dit
jaar 60 deelnemers, een flinke groei ten opzichte van het vorig jaar. Een trend
die we hopen vast te houden.
Het deelnemersveld bevatte dit jaar geen echte toppers
zoals vorige jaren, maar was vooral sterker in de breedte.
De hoofdgroep bestond uit 22 spelers. Evenals vorig jaar
eindigde er een trio bovenaan: Alexander van Beek en Thomas Willemze uit Utrecht
en Wouter van Rijn uit Nijmegen behaalden 5,5 uit 7. Zij hadden de laatste ronde
afgerekend met respectievelijk Otto Wilgenhof, Guust Homs en de 13-jarige
Roeland Pruijssers, die in de slotstand samen met Kees Nederkoorn op 4,5 uit 7
eindigden.
Onze Vincent Rothuis begon sterk, maar moest helaas na de
vierde ronde afhaken wegens ziekte.
In de B-groep was er een afgetekende winnaar: Mathieu
Roskam uit Westervoort won deze groep – net als het vorig jaar – met 6,5 uit
7. Tweede werd M. Demkes en op de gedeelde derde plaats stonden maar liefst 6
spelers, waaronder Jaap Stuurwold.
Wedstrijdleider Benno Thomassen hield de teugels goed in
handen en had slechts eenmaal een probleem, toen twee spelers in de B-groep in
vliegende tijdnood opeens beide schaak bleken te staan. Met assistentie van
internationaal arbiter Guust Homs kon dit probleem gelukkig opgelost worden.
Een heel geslaagd toernooi; de sponsor heeft al toegezegd
om ons het volgend jaar weer te steunen, zodat de traditie voorgezet kan worden.
|
|
|
______________________________________________________________
|
Schaakmemoriaal
Door
Jelle de Jong
Mijn schaakleven, deel vier.
Mijn
eerste baan was in den Haag. Aanvankelijk was ik daar van maandag tot zaterdag
om dan het weekeinde te delen met vrouw en kind. Ik had alle tijd voor een
avondje schaken en deed dat bij D.D., een van de bekendste en oudste
schaakverenigingen van Nederland. Het leek me interessant om daar eens rond te
kijken.
Het
ging er Haags toe. Het begon met een ballotage. Er was een ballotage-commissie,
maar het stelde niks voor. Ze, of we, hadden een eigen zaal met een
bestuurskamer. Ik werd ingedeeld in een zomergroepje met o.a. mej. De Clerck, in
die dagen een van de landelijk bekende damesschaaksters.
De vereniging telde ruim honderd leden en men vroeg zich af
waarom de vereniging niet groter werd, in de nieuwe wijken zoals Morgenstond
ontstonden nieuwe verenigingen die snel groeiden in ledental.
Toen we een woning konden krijgen in Rijswijk werd ik lid
van de plaatselijke vereniging en daar begreep ik waarom DD niet groeide. Bij
VIOD (vooruitgang is ons doel) was het veel gezelliger. De onderlinge competitie
kwam, net als overal, nooit rond. Als je op een clubavond verscheen zorgde de
wedstrijdleider voor een tegenstander wanneer je er zelf niet een vond; jongere
spelers vormden soms spontaan een groepje om samen te vluggeren. Ik werd direct
ingedeeld in het tweede tiental om aan een van de eerste borden te spelen. We
speelden tegen b.v. NVSG 1, Westerkwartier, GONA 1, Shell 2, DD 4 en HSV 1,
allemaal Haagse verenigingen.
Van de
schaakverenigingen waarvan ik lid ben geweest was dit de prettigste. Er kwam ook
een kamerlid die later minister werd zijn partijtje spelen, als hij tijd had;
als er gevluggerd werd deed hij steevast mee en ik hoor hem nog kreunen “het
gaat mis met het meisje”, een vaste uitdrukking van hem.
De uitslagen van de competitie met andere tientallen kwam in de
plaatselijke krant, het kamerlid speelde in het eerste team onder een
schuilnaam, de partijleden mochten niet weten dat hij die avond aan het schaken
geweest was in plaats van de belangen van partij en land te behartigen.
Het heeft
maar een paar jaar geduurd, ik werd in sept. 1958 benoemd als leraar in
Doetinchem. Dit bracht met zich mee dat ik van maandag tot vrijdag in Doetinchem
was en alleen in het weekeinde in Rijswijk. Het duurde zo’n anderhalf jaar
voordat ik een woning in Doetinchem kreeg. In die periode had ik ruimschoots de
tijd om kennis te maken met de Doetinchemse schaak en Damvereniging. De
vereniging speelde toen in restaurant Vinkenborg. De eerste avond was een
propaganda avond waarop een lid van de vereniging simultaan speelde tegen een
aantal spelers waaronder nieuwelingen. Toen ik gewonnen stond bood ik remise aan
omdat ik naar huis wilde om op tijd naar mijn bed te kunnen gaan. Het
leraarsberoep was nieuw voor mij en ik moest er veel tijd en energie in steken.
De simultaanspeler trachtte me te
overtuigen dat ik met door te spelen zou kunnen winnen; dat had ik ook wel
gezien.
Bladerend ik het notatieboekje uit die tijd, viel me een
briefkaart in handen die ik hier wil weergeven:
Doetinchem, 15
sep. 1958
Aan de leden
van D.S.D.V.
Programma
selectiewedstrijd:
1e
ronde : 17 sep. 1958
2e
“ :
24 “ “
3e
“ :
1 okt. “
vr. schaakgr.,
(w.g.) Wille
Wedstr. leider
H.A. Wille was een van de organisators van de
bondswedstrijden in Doetinchem die in de zomer van 1959 werden gehouden. Hij
verhuisde spoedig daarop naar Arnhem en kreeg landelijke bekendheid als
voorzitter van de KNSB.
Van de selectiewedstrijd herinner ik me helemaal niets. Ik
vermoed dat ze geen doorgang vonden
of dat ik geen geregelde bezoeker van de schaakavonden was in die tijd. De
jaarverslagen die jaarlijks uitgebracht werden kunnen uitwijzen wat er plaats
gevonden heeft. Ik herinner mij Wille niet als wedstrijdleider, dat was Kets al
toen ik ging spelen.
Wel
herinner ik me een avond waarop we gelijktijdig met de dammers speelden. Ik
verbaasde me er over dat er dammers waren die bier dronken terwijl de schakers
allen uitsluitend koffie dronken. Korte tijd later is de afdeling dammen een
zelfstandige vereniging geworden terwijl de schaakafdeling voortging als D.S.V.
De eerste
Doetinchemse partij die ik kan vinden in mijn notatieboekje
dateert van 30-4-1958 tegenstander is Jansen en er staat ”6-kamp”
bij. In diezelfde 6-kamp speelde ik 21-5-58 tegen Stein. Stein herinner ik me
nog heel goed. Hij heeft gespeeld zolang hij kon. Op ’t laatst van zijn leven
in Schavenweide. Kets heeft me eens verteld dat hij daar nog tegen hem gespeeld
heeft, hij zat toen tijdens de partij een hele tijd rustig het raam uit te
staren wat Kets tenslotte de opmerking ontlokte: weet u wel dat u aan zet bent?
De derde tegenstander waarvan de partij nog in mijn boekje zit was Horstmeijer.
Een enthousiaste schaker die kort daarop naar Velp verhuisde. Als speler in Velp
1 ontmoetten we hem nog wel eens.
|
______________________________________________________________
|
Interne competities
Door Kees Nederkoorn met dank aan Benno Thomassen.
Onze roostercompetitie is op dit moment (eind maart) een
eind op streek. Er is nog een ronde waarin spelers uit verschillende “boxen”
tegen elkaar spelen, daarna spelen de diverse boxen onderling, wat betekent dat
spelers van ongeveer gelijke sterkte elkaar gaan treffen. Er kan dus nog heel
wat veranderen in de stand.
Over die stand zijn wel wat opmerkelijke dingen op te
merken. Zo zien we dat John Lutgens formidabel van start is gegaan met 4 uit 4.
Hij moet nog wel enige partijen inhalen. Verder heeft Vincent Rothuis in het
begin vreselijk huisgehouden onder zijn tegenstanders, maar de laatste twee
partijen wisten Sander van Vucht en Wim Lenderink hem op remise te houden. Hij staat nu op 6 uit 7, maar zoals gezegd, de sterkste
tegenstanders komen voor hem nog. Echter, we zijn gewaarschuwd, want Vincent blaakt van
zelfvertrouwen!
Ondergetekende stond een remise af, tegen Henk Steinhauer.
Maar als Henk in de slotstelling doorgespeeld had…… Ik sta nu op 8,5 uit 9.
Marius van Hal draait ook goed mee in de top van het
klassement met 5 uit 7.
De grote afwezige in de bovenste regionen is Theo Goossen.
We weten dat Theo zijn partijen altijd scherp opzet en zijn tegenstanders
daarmee overrompelt, maar dit keer wisten Frans Kuggeleijn, Harold Vrieling en
Philip Friesen de agressie te keren en een vol punt tegen hem te scoren. Zoiets
is Theo nog niet vaak overkomen. We zijn benieuwd hoe sterk hij de laatste
ronden terugkomt.
Wedstrijdleider Benno is tot nu toe tevreden over het
verloop; wel zijn er enige spelers met een achterstand in partijen, maar we
hebben goede hoop dat deze snel wordt ingelopen.
|
|
|
STAND ROOSTER |
| 1 |
K. Nederkoorn |
9.5 |
uit |
10 |
95
% |
| 2 |
V. Rothuis |
8 |
uit |
9 |
88.9
% |
| 3 |
M. van Hal |
7 |
uit |
9 |
77.8
% |
| 4 |
H. Vrieling |
6 |
uit |
8 |
75
% |
| 5 |
M. Küper |
6.5 |
uit |
9 |
72.2
% |
| 6 |
P. Roessel |
7 |
uit |
10 |
70
% |
| 7 |
T. Goossen |
6.5 |
uit |
10 |
65
% |
| 8 |
H. Hamer |
5.5 |
uit |
9 |
61.1
% |
| 9 |
H. Haggeman |
6 |
uit |
10 |
60
% |
| |
S. van Vucht |
6 |
uit |
10 |
60
% |
| 11 |
H. Steinhauer |
5 |
uit |
9 |
55.6
% |
| 12 |
F. Kuggeleijn |
4.5 |
uit |
9 |
50
% |
| 13 |
J. Slager |
5.5 |
uit |
11 |
50
% |
| 14 |
W. Lenderink |
4.5 |
uit |
10 |
45
% |
| 15 |
J. Stuurwold |
5 |
uit |
12 |
41.7
% |
| 16 |
P. Friesen |
4.5 |
uit |
11 |
40.9
% |
| 17 |
B. Thomassen |
3 |
uit |
10 |
30
% |
| 18 |
G. Bilderbeek |
2 |
uit |
10 |
20
% |
| |
P.
Schyns |
2 |
uit |
10 |
20
% |
| 20 |
O. Hietkamp |
1 |
uit |
10 |
10
% |
|
STAND LADDER
|
|
| 1 |
K. Nederkoorn |
6,5 |
uit |
7 |
92.9
% |
|
| 2 |
T. Goossen |
8,5 |
uit |
10 |
85
% |
|
| 3 |
M. van Hal |
1.5 |
uit |
2 |
75
% |
|
| 4 |
H. Steinhauer |
4 |
uit |
6 |
66.7
% |
(+
1 afg.) |
| 5 |
H. Haggeman |
4,5 |
uit |
7 |
64.3
% |
(+
1 afg.) |
| 6 |
W. Lenderink |
7 |
uit |
12 |
58.3
% |
|
| 7 |
F. Kuggeleijn |
6
|
uit |
11 |
54.5
% |
|
| 8 |
J. Stuurwold |
4 |
uit |
8 |
50
% |
|
| 9 |
P. Friesen |
5 |
uit |
10 |
50
% |
|
| |
J. Slager |
5 |
uit |
10 |
50
% |
|
| 11 |
W.
Hollander |
7,5 |
uit |
15 |
50
% |
|
| 12 |
H. Hamer |
3 |
uit |
9 |
33.3
% |
|
| 13 |
B. Thomassen |
1 |
uit |
3 |
33.3
% |
|
| 14 |
G. Bilderbeek |
3 |
uit |
10 |
30
% |
|
| 15 |
J. van de
Brink |
0.5 |
uit |
2 |
25
% |
|
| 16 |
O. Hietkamp |
0 |
uit |
1 |
0
% |
|
| |
P. Schyns |
0 |
uit |
1 |
0
% |
|
| STAND
RAPID |
|
1
|
K.
Nederkoorn |
10.5 |
uit |
13 |
80.8% |
| 2 |
Th.
Goossen |
16.5 |
uit |
22 |
75% |
| 3 |
J.
Slager |
16 |
uit |
23 |
69.6% |
| 4 |
H.
Steinhauer |
11.5 |
uit |
17 |
67.6% |
| 5 |
S.
van Vucht |
9 |
uit |
14 |
64.3% |
| 6 |
J.
Stuurwold |
11 |
uit |
18 |
61.1% |
| 7 |
P.
Roessel |
3 |
uit |
5 |
60% |
| 8 |
H.
Haggeman |
15.5 |
uit |
26 |
59.6% |
| 9 |
J.
Lutgens |
4 |
uit |
7 |
57.1% |
| 10 |
H.
Hamer |
14.5 |
uit |
27 |
53.7% |
| 11 |
P.
Friesen |
9 |
uit |
17 |
52.9% |
| 12 |
W.
Hollander |
12.5 |
uit |
24 |
52.1% |
| 13 |
W.
Lenderink |
8 |
uit |
16 |
50% |
| 14 |
S.
Vrieze |
1 |
uit |
2 |
50% |
| 15 |
M.
van Hal |
1.5 |
uit |
4 |
37.5% |
| 16 |
O.
Hietkamp |
4.5 |
uit |
12 |
37.5% |
| 17 |
B.
Thomassen |
8.5 |
uit |
23 |
37% |
| 18 |
F.
Kuggeleijn |
8 |
uit |
24 |
33.3% |
| 19 |
P.
Schyns |
2 |
uit |
6 |
33.3% |
| 20 |
E.
Muller |
1 |
uit |
3 |
33.3% |
| 21 |
J.
van de Brink |
2.5 |
uit |
8 |
31.3% |
| 22 |
H.
Steenmeyer |
2 |
uit |
14 |
14.3% |
| 23 |
G.
Bilderbeek |
1 |
uit |
11 |
9.1% |
______________________________________________________________
|