Jelle de Jong overleden

Vandaag bereikte ons het treurige nieuws dat Jelle de Jong is overleden. Jelle verhuisde in 1958 naar Doetinchem en werd lid van de toenmalige Doetinchemse Schaak en Damvereniging. De vereniging speelde toen in restaurant Vinkenborg. Zijn allereerste avond bij deze vereniging was direct indrukwekkend (zie hieronder).

Jelle was een actief lid. Hij heeft meerdere functies bekleed. Ook heeft hij de nodige bijdragen geleverd voor De Secondant, het clubblad van SV Doetinchem. Zo was zijn vaste inbreng "Schaakmemoriaal". Hier enkele van deze bijdragen.

We zullen Jelle herinneren als prettig mens, gewaardeerd schaker en actief lid binnen onze vereniging. Jelle is 97 jaar geworden.

Jelle ręst yn frede.

 

 

Voor de rouwkaart klik hier

 

 

In januari 2002 schreef Jelle onderstaande voor de Secondant, het clubblad van SV Doetinchem.

SCHAAKMEMORIAAL

(door Jelle de Jong)

Milan Vidmar, na Euwe de sterkste amateurschaker ter wereld tijdens het interbellum, schreef aan het eind van zijn schaakcarričre een boek met zijn herinneringen dat hij Goldene Schachzeiten noemde. Een prachtige titel voor de herinneringen van de professor uit Joego-Slavië; de man waar de broodschakers van voor de oorlog verschrikkelijk de schurft aan hadden. Er werd hem door zijn schaakbroeders verweten dat hij met zijn ruime inkomen hun het brood uit de mond stal.

Nu ik langer dan 66 jaar schaak wil ik ook wel eens iets van mijn herinneringen ophalen; het waren wel geen gouden tijden maar wel belevenissen waar ik nog met genoegen aan terugdenk. Stuivers tussen de centen.

Begin maart 1935 logeerde mijn grootmoeder bij ons ter gelegenheid van de verjaardag van mijn moeder. Toen eens ter sprake kwam dat ik kennis gemaakt had met schaken en graag een schaakspel zou willen hebben, beloofde mijn grootmoeder die een zwak voor mij had (ik was naar haar man genoemd) me een spel op mijn verjaardag. Mijn moeder kocht het toen ze eens boodschappen ging doen in de stad ( Sneek) bij V&D. Het kostte zes gulden en was een mooi spel. Op mijn verjaardag was het er, maar wie het betaald heeft zal ik nooit te weten komen.

Maar ’t schaken werd niet veel, we wisten maar van twee mensen dat ze konden schaken: de bakker en een wat oudere buurjongen die ik eerder had zien schaken.

In het najaar van 1935 schaakte Euwe om het wereldkampioenschap tegen Aljechin.De partijen stonden uitgebreid in de krant en ik probeerde ze na te spelen maar dat lukte niet goed, want ik wist niet wat 0-0 en 0-0-0 betekende. Op Sinterklaas kreeg ik toen een schaakboekje waarin alle geheimen van het schaakspel stonden.

Toen mijn buurjongen ziek werd en graag wou schaken kon het gaan gebeuren. Door de week met de buurjongen en zaterdagsavonds met de bakker. Maar al gauw was ik mijn partners te slim af en kregen ze er genoeg van. Er werd toen ontdekt dat een boer in ons dorp ook kon schaken. Met hem speelde ik toen een avond in de week en we waren aardig tegen elkaar opgewassen. In het naburige Workum was een schaakclub en wij daarheen. Ik herinner me nog dat ik bedeesd aan de voorzitter vroeg of ik lid mocht worden. De voorzitter vond het goed maar zei er bij dat er niet teveel jongens moesten komen. M.a.w. het was, net als bij de andere schaakverenigingen een oude-heren-vereniging; ik was toen dertien.

De voorzitter, een oud hoofd van een school, nodigde me ook eens uit om bij hem thuis te komen spelen, hij vond het kennelijk wel leuk om tegen zo’n jongetje te spelen maar wou liever niet het risico lopen op de club tegen een kind te verliezen. Ik vond het een hele gebeurtenis. In een groot herenhuis aan de markt liet de huishoudster me binnen en bracht me in de huiskamer waar de voorzitter, die met zijn snor sprekend op Clemenceau leek, met bord en stukken voor zich, me op zat te wachten. Wie won weet ik niet meer.

Op de club speelden we zonder klokken en notatie een onderlinge competitie. Een of twee partijen per avond, net zoals het uitkwam. Je zocht zelf een tegenstander en de uitslagen werden in een diagram ingevuld. De competitie werd nooit helemaal uitgespeeld maar dat was geen punt. Er werden genoeg partijen gespeeld om er de pikorde uit op te maken. Prijzen werden niet uitgereikt en de sterkste was wel bekend maar werd nooit gelauwerd. Het eerste jaar eindigde ik in de middenmoot, het tweede jaar zat ik in de wat we nu noemen de subtop.

De vereniging, die ODI heette (ontspanning door inspanning), was niet aangesloten bij de Friese schaakbond maar eens per jaar speelden we tegen de club uit het naburige Koudum. Daar gingen we op de fiets naar toe, behalve het bestuur. De direkteur van de zuivelfabriek had een auto en hij nam de bestuursleden mee. Ieder die wou deed mee. Ik weet nog dat ik won tegen een leraar die May heette. Het jaar daarop kwamen ze bij ons.

De club telde zo’n 20 ŕ 30 leden van alle rang en stand. Ik herinner me twee boeren, een veekoopman, een direkteur van een pottenbakkerij, de direkteur , de assistent en de boekhouder van de zuivelfabriek, de gemeentesecretaris en de gemeente architekt, een zoon en een schilder van de pottenbakker, de direkteur en twee leraren van de ulo-school, twee broers van een van de leraren, waarvan een nog op de ulo zat, nog een pottenbakker, een Duitser die voor zichzelf begonnen was (hij moest in het Duitse leger en we hebben hem nooit meer teruggezien), een smid en een boerenzoon die later boer geworden is.

De pottenbakker was een aparte, Eens per jaar speelde Davidson, ik meen de eerste Nederlandse beroepsschaker, simultaan. Hij was met een Workumse getrouwd. De pottenbakker zat op een gegeven moment met de handen vol stukken toen Davidson weer langs kwam. Niemand wist meer hoe de stand was. Waarschijnlijk stond de pottenbakker glad verloren. Er werd tot remise besloten.

Inmiddels was ik naar de ulo in Workum gegaan waarvan een leraar een van de twee sterkste schakers was. Hij was toen zo’n negentien jaar, ik veertien. Hij kwam pas van de kweekschool, had de akten Frans en wiskunde l.o. en werkte als volontair voor een rijksdaalder per week. Van hem heb ik een keer gewonnen in een sigarenwedstrijd, mijn grootste triomf. Met Sinterklaas werden groepjes van vier gevormd, de winnaar kreeg een doos sigaren. Op een reünie van de ulo niet zo lang geleden, vertelde een klasgenoot dat ik tijdens de les een partijtje blind geschaakt had met die leraar. Kennelijk had het op hem meer indruk gemaakt dan op mij.

Dit was mijn eerste schaakclub. Zo heb ik er nog een stuk of zes gehad. Als de redacteur ruimte heeft en het op wil nemen kan ik zo nog wel even doorgaan. Ik ben mijn hele leven blijven schaken en denk er nog met genoegen aan terug.

 

 

In juni 2002 schreef Jelle onderstaande voor de Secondant, het clubblad van SV Doetinchem.

SCHAAKMEMORIAAL

(door Jelle de Jong)

Tijdens de bezetting.

In Workum was nadat Euwe wereldkampioen geworden was (1935) een tweede schaakclub opgericht. Hoewel de club niet katholiek genoemd wilde worden werd gespeeld in het katholieke verenigingsgebouw St Jozef en waren er meer Roomsen (zoals de katholieken in Friesland genoemd worden) dan op de andere vereniging. Ik kwam er terecht omdat ik naar catechisatie (godsdienstonderwijs van de kerk) in een naburig dorp moest juist op de verenigingsavond van mijn eerste club. Het ging er nogal gemoedelijk toe. Ik trof er een oud-lid van mijn vorige vereniging aan die beweerde dat hij hier lid geworden was omdat hij hier kon verschijnen zonder boord. Het niveau lag er ook wat lager en het bleek al gauw dat ik een bedreiging van de sterkste speler was. Hij was tevens voorzitter en wedstrijdleider. Toen halverwege de competitie zijn moeder stierf stopte hij tijdelijk met schaken, maar om te tonen dat het niet was vanwege mijn concurrentie als sterkste speler kwam hij nog eenmaal op de club om tegen mij te schaken. Hij verloor wat niet onopgemerkt gebeurde. Hij nodigde me nog eens uit thuis tegen hem te schaken, wat ik natuurlijk deed.

Inmiddels was ik naar de HBS in Sneek gegaan, daar bleek ik op de enige wedstrijd om het schoolkampioenschap die er georganiseerd werd de sterkste te zijn. Dit had tot gevolg dat ik meespeelde om het middelbare schoolkampioenschap van Friesland. Daar speelde ik tegen ene Wim Cohen uit Leeuwarden. Zijn vader deed kort daarop zaken met mijn vader waarbij ter sprake kwam dat hun zoons tegen elkaar geschaakt hadden. Hij nodigde mij uit bij hun in Leeuwarden te komen logeren tijdens de Bondswedstrijden die in 1941 te Leeuwarden gespeeld zouden worden. Ik persoonlijk lid worden van de (K)NSB en naar Leeuwarden. Daar heerste de eerste dag dat er gespeeld zou worden grote verwarring waar ik indirect bij betrokken raakte. Van de bezetter mochten de Joden niet meespelen. Er werd een compromis gevonden, de Joodse deelnemers speelden hun partijen in een ander zaaltje in de buurt. Het was een moeilijke beslissing voor het bestuur van de bond en niet iedereen was er gelukkig mee.

Ik werd ingedeeld in de tweede klasse. Dat waren groepen van zes. De eerste partij werd remise, de tweede verloor ik en de resterende drie won ik. Met 3 ˝ uit 5 werd ik gedeeld eerste en na loting mocht ik de eerste prijs uitzoeken: een zilveren vulpotlood. Een merkwaardig voorval deed zich hierbij voor. Vóór de laatste ronde beloofde een van de groep mij een pakje sigaretten als ik won. Mijn tegenstander was onsportief tegen hem geweest en hij wou op deze wijze zich revancheren. Het lukte maar hij kon geen sigaretten bemachtigen (oorlogsschaarste) en gaf mij in plaats daarvan een kwartje,dat was destijds de prijs van een pakje van 20 sigaretten. Dit was de eerste keer dat ik met de klok speelde en noteerde.

Door dit succes aangewakkerd ging ik meer wedstrijden spelen. In Leeuwarden werden op tweede kerstdag de kerstwedstrijden van de FSB gespeeld. Zowel in 1941 als in 1942 haalde ik 1 ˝ uit 3. Een en ander had tot gevolg dat ik uitgenodigd werd om in het Friese jeugdtiental te spelen tegen Groningen/Drente. Uit wonnen we, thuis namen de Groningers revanche. Ik speelde aan het achtste bord maar won wel als enige beide partijen. Een en ander leidde er toe dat ik in een streekwedstrijd van de FSB in Sint Anna Parochie in de eerste groep van vier ingedeeld werd en er de eerste prijs wegsleepte: 2 uit 3; een bronzen briefopener. Een huisbaas van me in Wageningen wou er een la mee openen en brak hem doormidden.

Ik deed in die tijd nogal wat aan schaken. Sinds januari 1937 was ik een paar jaar abonnee op De Schaakwereld een uitstekend weekblad dat sinds 1936 uitgegeven werd nadat er een schaakhausse in Nederland ontstaan was tengevolge van het feit dat Euwe wereldkampioen was. Euwe besprak in ieder blad een partij, ik trachtte de twee- en driezetters op te lossen. Van mijn karige zakgeld kocht ik langzaam aan de 12 openingendeeltjes van Euwe. De eindspelreeks ben ik niet aan toe gekomen. Wel kreeg ik als persoonlijk lid van de (K)NSB het maandblad sinds 1941.

Omstreeks 1942 kwam de eerdergenoemde Wim Cohen als onderduiker een tijdlang bij ons in huis. Dat was eigenlijk dagelijks schaken, zondags tien vluggertjes met de klok. Ik had intussen een schaakklok op sinterklaas gekregen. Wim Cohen ging op mijn naam correspondentieschaak spelen. Een van zijn tegenstanders was A.P. van de Hoek, toen (of iets later) Nederlands kampioen, opgepakt en omgekomen bij een bombardement in Duitsland. Toen Wim naar een ander adres ging moest ik de partijen afmaken en werd ik afgemaakt. Nadat ik in 1943 ook zelf moest onderduiken (vanwege de Arbeitseinsatz) ben ik zelf ook correspondentieschaak gaan spelen, in een lagere klasse dan Wim. Het resultaat weet ik niet meer. De meeste partijen zullen wel niet uitgespeeld zijn vanwege de oorlogsomstandigheden.

Ik herinner me ook nog dat ik in die onderduikperiode lid ben geworden van de Nederlandse bond van Probleemvrienden, deze houden onder andere oploscompetities en componeerwedstrijden. Mijn enige gecomponeerde tweezet is onvindbaar. Van schaken op de vereniging kwam natuurlijk niets meer maar wel heb ik thuis nogal eens geschaakt met vrienden die geen risico liepen om opgepakt te worden.

Zo zie je maar dat je ook wel met gemengde gevoelens kunt terugdenken aan de bezettingstijd.

 

 

In juni 2003 schreef Jelle onderstaande voor de Secondant, het clubblad van SV Doetinchem.

SCHAAKMEMORIAAL

(door Jelle de Jong)


Mijn schaakleven, deel vier.


Mijn eerste baan was in den Haag. Aanvankelijk was ik daar van maandag tot zaterdag om dan het weekeinde te delen met vrouw en kind. Ik had alle tijd voor een avondje schaken en deed dat bij D.D., een van de bekendste en oudste schaakverenigingen van Nederland. Het leek me interessant om daar eens rond te kijken.

Het ging er Haags toe. Het begon met een ballotage. Er was een ballotage-commissie, maar het stelde niks voor. Ze, of we, hadden een eigen zaal met een bestuurskamer. Ik werd ingedeeld in een zomergroepje met o.a. mej. De Clerck, in die dagen een van de landelijk bekende damesschaaksters.

De vereniging telde ruim honderd leden en men vroeg zich af waarom de vereniging niet groter werd, in de nieuwe wijken zoals Morgenstond ontstonden nieuwe verenigingen die snel groeiden in ledental.

Toen we een woning konden krijgen in Rijswijk werd ik lid van de plaatselijke vereniging en daar begreep ik waarom DD niet groeide. Bij VIOD (vooruitgang is ons doel) was het veel gezelliger. De onderlinge competitie kwam, net als overal, nooit rond. Als je op een clubavond verscheen zorgde de wedstrijdleider voor een tegenstander wanneer je er zelf niet een vond; jongere spelers vormden soms spontaan een groepje om samen te vluggeren. Ik werd direct ingedeeld in het tweede tiental om aan een van de eerste borden te spelen. We speelden tegen b.v. NVSG 1, Westerkwartier, GONA 1, Shell 2, DD 4 en HSV 1, allemaal Haagse verenigingen.

Van de schaakverenigingen waarvan ik lid ben geweest was dit de prettigste. Er kwam ook een kamerlid die later minister werd zijn partijtje spelen, als hij tijd had; als er gevluggerd werd deed hij steevast mee en ik hoor hem nog kreunen “het gaat mis met het meisje”, een vaste uitdrukking van hem. De uitslagen van de competitie met andere tientallen kwam in de plaatselijke krant, het kamerlid speelde in het eerste team onder een schuilnaam, de partijleden mochten niet weten dat hij die avond aan het schaken geweest was in plaats van de belangen van partij en land te behartigen.

Het heeft maar een paar jaar geduurd, ik werd in sept. 1958 benoemd als leraar in Doetinchem. Dit bracht met zich mee dat ik van maandag tot vrijdag in Doetinchem was en alleen in het weekeinde in Rijswijk. Het duurde zo’n anderhalf jaar voordat ik een woning in Doetinchem kreeg. In die periode had ik ruimschoots de tijd om kennis te maken met de Doetinchemse schaak en Damvereniging. De vereniging speelde toen in restaurant Vinkenborg. De eerste avond was een propaganda avond waarop een lid van de vereniging simultaan speelde tegen een aantal spelers waaronder nieuwelingen. Toen ik gewonnen stond bood ik remise aan omdat ik naar huis wilde om op tijd naar mijn bed te kunnen gaan. Het leraarsberoep was nieuw voor mij en ik moest er veel tijd en energie in steken. De simultaanspeler trachtte me te overtuigen dat ik met door te spelen zou kunnen winnen; dat had ik ook wel gezien.

Bladerend ik het notatieboekje uit die tijd, viel me een briefkaart in handen die ik hier wil weergeven:



Doetinchem, 15 sep. 1958



Aan de leden van D.S.D.V.

Programma selectiewedstrijd:

1e ronde : 17 sep. 1958

2e “ : 24 “ “

3e “ : 1 okt. “

vr. schaakgr.,

(w.g.) Wille

Wedstr. leider



H.A. Wille was een van de organisators van de bondswedstrijden in Doetinchem die in de zomer van 1959 werden gehouden. Hij verhuisde spoedig daarop naar Arnhem en kreeg landelijke bekendheid als voorzitter van de KNSB.

Van de selectiewedstrijd herinner ik me helemaal niets. Ik vermoed dat ze geen doorgang vonden of dat ik geen geregelde bezoeker van de schaakavonden was in die tijd. De jaarverslagen die jaarlijks uitgebracht werden kunnen uitwijzen wat er plaats gevonden heeft. Ik herinner mij Wille niet als wedstrijdleider, dat was Kets al toen ik ging spelen.

Wel herinner ik me een avond waarop we gelijktijdig met de dammers speelden. Ik verbaasde me er over dat er dammers waren die bier dronken terwijl de schakers allen uitsluitend koffie dronken. Korte tijd later is de afdeling dammen een zelfstandige vereniging geworden terwijl de schaakafdeling voortging als D.S.V.

De eerste Doetinchemse partij die ik kan vinden in mijn notatieboekje dateert van 30-4-1958 tegenstander is Jansen en er staat ”6-kamp” bij. In diezelfde 6-kamp speelde ik 21-5-58 tegen Stein. Stein herinner ik me nog heel goed. Hij heeft gespeeld zolang hij kon. Op ’t laatst van zijn leven in Schavenweide. Kets heeft me eens verteld dat hij daar nog tegen hem gespeeld heeft, hij zat toen tijdens de partij een hele tijd rustig het raam uit te staren wat Kets tenslotte de opmerking ontlokte: weet u wel dat u aan zet bent? De derde tegenstander waarvan de partij nog in mijn boekje zit was Horstmeijer. Een enthousiaste schaker die kort daarop naar Velp verhuisde. Als speler in Velp 1 ontmoetten we hem nog wel eens.