(55) door Niels van der Mark

 

Toreneindspelen, een pijnlijke bekentenis

Bovenstaande foto is een selectie van schaakboeken die ik heb, waarin Toreneindspelen behandeld worden. Het zijn niet eens al mijn boeken die over eindspelen gaan, maar wel de boeken waarin Toreneindspelen goed worden uitgelegd. Ze beslaan zo’n 5% van mijn schaakboeken. 70% gaan denk ik over openingen en de rest zijn boeken over het middenspel, toernooien en biografieën. Nu kun je nog zoveel boeken hebben, als je ze niet leest (of zelfs bestudeerd) heb je er niet zoveel aan, al staat het natuurlijk wel stoer in je boekenkast. Ik heb ze allemaal wel eens ingekeken, ook delen bestudeerd, maar afgelopen week kwam ik er op een pijnlijke manier achter dat ik toch wel heel weinig van Toren eindspelen snap. Het schijnt dat iedere schaker die zichzelf serieus neemt, de Lucena en de Philidor positie moet kennen, maar tot mijn schande moet ik bekennen dat ik er regelmatig naar gekeken heb, maar het maar niet kan onthouden. Afgelopen donderdag was er zelfs een 10-jarig meisje dat me de Philidor positie uitlegde, zij begreep het wel. Jarenlang heb ik me verscholen achter de uitspraak: ’Toreneindspelen zijn de moeilijkste eindspelen die er zijn’, maar zo kan het niet langer. Na 2 slapeloze nachten heb ik daarom mezelf maar een strafexercitie opgelegd. Ik ga de Toren eindspelen bestuderen en doorgronden en als dit voor mij een lijdensweg is, dan ook maar voor jullie, ik ga er hier verslag van doen. En zolang ik het niet kan dromen ga ik door, dus mogelijk wordt het een serie, alvast mijn excuses.

Waarom deze strenge maatregelen, dit harde optreden? In 4 dagen tijd kreeg ik tot 2 maal toe een Toren eindspel op het bord, waarin ik (per ongeluk?) gewonnen kwam te staan om het vervolgens in remise te laten eindigen. Het resultaat is nog niet eens het ergste, vooral dat ik gedurende de partij geen flauw idee had waar ik mee bezig was, stoorde me, ik deed maar wat. Op zich niet erg zou je zeggen, maar ik wist dat er voor dit soort stellingen duidelijke richtlijnen waren, ik had de boeken wel eens ingezien, maar ik kon me er helemaal niks meer van herinneren. Ik meende ook een teken uit de hemel te hebben ontvangen, dit was geen toeval, zie maar: Zowel op zaterdag als dinsdag exact dezelfde openingsvariant en dan vanuit een gunstige positie minder te komen staan en dan vervolgens tot 2 maal toe een Toreneindspel op het bord krijgen dat ik in geen jaren op het bord heb gehad. En dat allemaal binnen 4 dagen! Dat is geen toeval meer.

Laat ik beginnen met het Toreneindspel van afgelopen zaterdag.

Ik had wit en zwart heeft zojuist zijn Toren van d5 naar d2 gespeeld. Je ziet het, mijn pionnen op de damevleugel staan relatief veilig en ik heb een extra pion op de Koningsvleugel. Volgens de engine sta ik gewonnen.(+4,11) Ik had hier met 41.Ke5 kunnen voortzetten, maar speelde het slechte 41.gxh5?? Deze zet is alleen al slecht, omdat mijn pionnen, nadat zwart terugslaat, niet meer verbonden zijn en de zwarte Toren ze makkelijker onder vuur kan nemen. De partij ging verder, we deden beide nog wat matige zetten en dan hier de slotstelling waar ik in remise berustte:

Een paar opmerkingen bij deze stelling:

  • Ik heb zojuist 54.f5 gespeeld en dacht de pion hier weg te geven (??) ‘shit’, riep ik, ‘toch nog remise’ en stak mijn tegenstander de hand toe.

  • De stelling is theoretisch een remisestelling, maar er valt voor ons amateurs nog wel heel wat te bewijzen hier, toch?

Gelukkig riep iedereen na de partij dat het absoluut remise was en deed ik net alsof ik dat natuurlijk ook doorhad, maar eigenlijk snapte ik er niet zoveel van.

Goed, door naar de dinsdag erop. Ik kreeg exact dezelfde openingsvariant op het bord als zaterdag, speel een aardige partij, maar laat me dan toch trucen door mijn 80-jarige tegenstander en verlies een belangrijke pion. We komen op de 26e zet in het volgende eindspel terecht. Wederom heb ik wit.


Hoe pak je dit aan, met een pion minder? Zorg ervoor dat je Toren actief is, heb ik gelezen, maar veel meer schaakwijsheden schieten me tijdens de partij niet te binnen. Dus ik probeer actief te spelen, ruil hier en daar een pionnetje af en kom in de volgende stelling terecht.

Misschien moe gestreden speelde mijn tegenstander zijn Koning naar b5, waarop ik onmiddellijk 48.Tb6+ speelde en zijn Toren won. Nu had ik nog maar een paar minuten op de klok, maar dat mag geen excuus zijn voor wat volgde. (Vanaf dit moment ben ik overigens bang dat ook mensen van buiten onze schaakvereniging dit stukje lezen.) We krijgen een stelling waarin met mijn Koning voor zijn pionnen sta en schaakjes geef vanaf de zijkant.

54. Th5+ Kc4 55.Th4+ Kc5 56.Tg4 Kb5. Ergens heb ik ooit gelezen dat 2 verbonden pionnen op de 6e (of 3e) rij de Toren de baas zijn en ik durfde niet met mijn Koning via c2 naar c4 te lopen, dus meende hier in remise te moeten berusten. Wit staat dus totaal gewonnen. Je loopt inderdaad met je Koning via c2 naar c4 en de zwarte pionnen worden opgehaald. Als zwart zijn pionnen opspeelt, dan is de Toren er als de kippen bij om ze tegen te houden en te slaan. Extra zuur, nogmaals mijn welgemeende excuses vrienden, is dat Doetinchem kampioen was geworden als ik deze partij had gewonnen. Je begrijpt nu waarom ik de slaap slecht kon vatten die nacht.

Afijn, het is dus tijd om in de Toren eindspelen te duiken. De eerste regel in het hoofdstuk Toren en pion tegen Toren, van Theoretische en Praktische eindspelen van dr. Max Euwe begint met de veelbelovende zin:
'Het eindspel van Toren en pion tegen Toren is van fundamenteel belang voor de Toreneindspelen in het algemeen, en verdient daarom een uitgebreide, zo mogelijk zelfs uitputtende behandeling.' Ik heb er gelijk al minder zin in, merk ik.

Niels van der Mark

Klik hier voor meer